Al meer dan 400 jaar is hervormde gemeente een onderdeel van het religieus leven in Buitenpost. Een historische terugblik.

In maart 1580 vergaderde de Friese landdag. Het was met de macht van de Spanjaarden nu bijna gedaan in Friesland. De verzamelde vertegenwoordigers van grietenijen en steden besloten dat maatregelen genomen moesten worden tegen 'de groote zwaere ende menichfuldichen abuysen, dwalinge ende misbruycken' in de kerk van Rome. De Roomse eredienst werd afgeschaft en alle Roomse geestelijken werden uit hun ambt gezet. De kerkelijke bezittingen van de Katholieken werden verbeurd verklaard. De inkomsten uit deze eigendommen kwamen beschikbaar voor het onderhoud van predikant en schoolmeester. De Gereformeerde (Hervormde) eredienst was alleen toegestaan. Het houden van openbare erediensten van Roomsen, maar ook van Dopersen en Luthersen, werd verboden. De Gereformeerde kerk werd staatskerk en dat zou tot 1795 zo blijven.

Mocht in 1580 bijna in heel Friesland de macht van de Spanjaarden zijn gebroken, dit gold nog niet voor Achtkarspelen. Groningen stond nog steeds onder het gezag van de Spaanse bezetter. In de grensgebieden tussen Groningen en Friesland werd in de periode van 1580 tot 1594 nog hevig gevochten tussen de Spaanse en Staatse troepen. Inkwartiering van troepen kwam hier veelvuldig voor en de bevolking had hierdoor zwaar te lijden. Gelukkig werd uiteindelijk in 1594 de stad Groningen op de Spanjaarden veroverd en het gevolg voor Achtkarspelen was dat van deze kant geen gevaar meer was te vrezen. De rust keerde terug in de grensgebieden en er ontstond nu een situatie, waarin een kerkelijke gemeente kon worden opgebouwd. Een jaar later, in 1595, besloot de synode dat de classis Dokkum predikanten naar de grietenij Achtkarspelen moest zenden. Kennelijk heeft deze classis de opdracht uitgevoerd, want volgens de naamlijst van de Hervormde predikanten in Friesland, kreeg Buitenpost in 1598 zijn eerste predikant, te weten Bartholomeus Nicolai Billerbeek. Om deze reden wordt het jaar 1598 beschouwd als het begin van de Hervormde gemeente in Buitenpost. Het is echter heel goed mogelijk dat er al eerder sprake was van een kerkelijke gemeenschap, maar daar zijn geen bewijzen van te vinden. Billerbeek was voorheen pastoor geweest van Noorder Drachten. Hij vertrok in 1611 naar Warfhuizen en overleed in 1620. Zijn naam wordt ook wel als Bilderbeek gespeld. In 1615 kwam zijn opvolger Johannes Sartorius, die van arminianisme werd beschuldigd. Hij was oorspronkelijk afkomstig van Leeuwarden, stond onder meer te Havelte, en overleed in 1620. Te vermelden valt ook dat ene Leenaert Bouwens in Buitenpost in de jaren 1551-1582 14 personen doopte.

Kerkdiensten

De tijdstippen, waarop de torenklok moest worden geluid, zijn te vinden in 'de Acte van Beroepinge' voor de schoolmeester uit het jaar 1744. Het was voorgeschreven dat voor elke kerkdienst tweemaal moest worden geluid om de gelovigen op te roepen. Op alle zondagen en dagen waarop werd gepreekt ging de torenklok om 7.30 uur al luiden. Misschien was dit voor de bewoners van de Kerkstraat wel het sein om wakker te worden en zich klaar te maken voor de eerste kerkdienst. Het volgende klokluiden was om 8.30 uur en we kunnen wel aannemen dat de morgendienst ook direct na half negen begon en wel omdat in de beroepingsbrief voor de schoolmeester staat te lezen dat na afloop van het laatste klokgelui de meester moest beginnen met het voorlezen. De kerkgangers zaten zaten dus dan al in de banken om hiernaar te luisteren.

Hoe zouden de preken in de 17e en 18e eeuw zijn geweest? Volgens de Encyclopedie van Friesland moet men zich geen mooie voorstelling maken van deze preken. Veelal zouden ze droog en te dogmatisch zijn geweest, meer voor het verstand dan voor het gemoed. Vreemde talen werden in de preken druk geciteerd; het gewone leven klink er nauwelijks in door. De duur van de kerkdiensten was in onze ogen van nu veel te lang. Vaak duurde de morgendienst drie uur en de middagdienst twee uur. Om het niet nog langer te laten duren had men er iets op gevonden. In vroegere eeuwen stond veelal in een koperen armatuur een zandloper op de preekstoelen. Dit was een symbool van de voortschrijdende tijd, maar tevens een waarschuwing voor de predikant om niet te lang te preken. Op te lange preken stond (ook) al een boete. In een aantal kerken, ondermeer in Hogebeintum, valt de toen gebruikte zandloper nu nog te bewonderen.

Of de kerkdiensten druk werden bezocht weten we niet. De opbrengsten van de collecten voor de armen, die in de rekeningboeken van de diaconie werden aangeduid als 'Gaafven in de buydel' zijn per dienst nauwkeurig genoteerd. Het blijkt dat tijdens de avondmaalsdiensten verweg het meeste geld binnenkwam. We kunnen hieruit misschien opmaken dat men dan wat royaler was, maar er zullen ook meer kerkgangers zijn geweest.

Predikanten

De Hervormde Gemeente van Buitenpost heeft een kleine veertig voorgangers gehad in vier eeuwen. De gemiddelde duur van een ambtsperiode was dus ongeveer tien jaar. Zeker één predikant werd in de kerk begraven. Dit was Gerhardus van Croddenbosch, die in 1659 is overleden. Hij was geregeld in conflict met zijn gemeenteleden en in 1655 moest de classis er zelfs aan te pas komen om te bemiddelen. Ondanks de vele ruzies, kreeg hij van zijn gemeente een grafschrift mee, waarin hij de hemel in werd geprezen: "Grafschrift op de dood van de zeer beroemde, eerwaarde, zeer geleerde en vrome Gerhardus à Croddenbosch, de zeer waakzame herder in zijn gemeente te Buitenpost, Lutkepost en Gerkesklooster. Die 37 jaar het volk geweid heeft en gevoed met hemels manna en de geheimen des geloofs verklaard heeft. Gerhardus ziet, zijn lijk wordt door deze zwarte heuvel besloten, maar zijn ziel, nu de aanhoudende bewoonster van de hemel, verblijdt zich als biddende overwinnares, zingende de grootheid van de Drieënige. Na de strijd des geloofs en des levens, drinkt zij het levende water, want dit is de prijs en het waardig loon van de moeiten van de leraren des geloofs en wie de hemelse dingen ter harte gaan". De gemeente was dus destijds niet wraakzuchtig.

Tragisch was het levenseinde van dominee Hermannus Jacobi, die van 1726-1764 de gemeente diende. Na zijn emiritaat in 1764 bleef hij in Buitenpost wonen. Begrijpelijk na een ambtsperiode van 38 jaar. Op 29 augustus 1775 overleed hij op de leeftijd van 82 jaar. Hij verdronk bij nacht in... de regenwaterbak. Het moet die nacht erg geregend hebben. Een onweersbui misschien? In het overzicht van de predikanten van Buitenpost van 1598-1886 staat over dit tragisch ongeval vermeld: "Hoogstwaarschijnlijk is hij opgestaan om te onderzoeken of dezelve ook weldra zou overloopen en hiernaar voelende is hij voorover gevallen. Hij legateerde aan de diaconie hier eenig land en nog iets". Over Franciscus Rondaan, die op 28 mei 1769 - met een preek over Jesaja 40 vers 9: "Klim op een hoge berg, vreugdebode Sion..." - de nieuwe preekstoel inwijdde, wordt vermeld, dat hij "wegens dronkenschap van zijnen dienst is ontzet in februarij 1775". Hij overleed in Makkum op 9 maart 1779, "ongeveer 34 jaren oud". Ook een tragisch sterfgeval dus.

De afscheiding van 1834 ging aan Buitenpost voorbij dankzij de langdurige ambtsperiode van de predikant ds. Klaas Willemsen Wijchgram (van 13 mei 1827 tot aan zijn dood op 12 februari 1870). Het gedachtengoed van de afgescheidenen stond hem zeer na, maar hij wilde geen breuk met zijn kerk en door zijn rechtzinnige prediking wist hij te voorkomen, dat gemeenteleden de Hervormde kerk verlieten. Dominee Wijchgram is bijna 43 jaar een stabiele factor geweest in de Hervormde kerk.

De geschiedschrijver Algra schenkt in zijn werk veel aandacht aan dominee Salomon Sieuwert de Koe. De Koe, geboren te Woudsend, aanvaardde als kandidaat bij het Provinciaal Kerkbestuur van Utrecht, de voorgangersdienst in Lienden op 6 maart 1870. Daarna kwam hij naar Buitenpost op 13 oktober 1872. Hij heeft maar kort in Buitenpost gestaan (tot 1874), maar deed van zich spreken door zijn fel verzet tegen het floreenstelsel, dat de verkiezing van predikanten opdroeg aan de grondbezitters. De kerkeraad was verplicht hun kandidaat te beroepen. Hier komt de tegenstelling tussen rechtzinnig en vrijzinnig om de hoek kijken. Ds. De Koe schreef, zo vertelt Algra op begrijpelijke wijze, tegen deze misstand een vlammend protest in "Christelijke stemmen", dat ook afzonderlijk is verschenen en hij wijst daarin op het feit, dat terwijl vrijwel overal in het land kerkeraad of kiescollege de dominee verkiest, in de meeste van de 354 Friese gemeenten dit overgelaten is aan de floreenplichtigen, die vaak buiten het dorp wonen. De gemeente wordt niet zelden een leraar opgedrongen, die een heel andere boodschap brengt dan de gemeente begeert. Het gevolg is, dat de meest belangstellende leden vreemdelingen worden in hun eigen bedehuis, hun kinderen verstoken van godsdienstige leiding, zij zelve gedwongen elders voor hun geestelijk leven voedsel te zoeken, of waar de droevige toestand te lang duurt, neemt men tot het vriendelijk lokkend asyl, dat de Afgescheiden kerk biedt, de toevlucht". Ds. De Koe noemt in zijn brochure van 1874 Buitenpost als voorbeeld, waar het floreenstelsel nog geldt.  Hij vertrok op 25 januari 1874 naar Utrecht, waar hij tot Theol. Doet. promoveerde en werkzaam bleef tot zijn benoeming als Hoogleraar in de Theologie in Groningen, een functie die hij op 25 oktober 1884 aanvaardde. Hij overleed al op 22 maart 1886.

De grondbezitters dragen daar in 1874 een andere (vrijzinnige) kandidaat (G. Aalbers) voor dan de kerkeraad. Bij de stemming op 25 maart blijken op de kandidaat van de kerkeraad  257 en op die van de floreenplichtigen 256 stemmen te zijn uitgebracht. De kerkeraad lijkt dus gewonnen te hebben. Ongelukkigerwijs blijken van de 257 stemmen op de kerkeraadskandidaat 6 niet volkomen naar de voorgeschreven vorm te zijn uitgebracht, al blijkt zonneklaar voor wie die 6 stemmen bedoeld zijn. De grondbezitters haasten zich om protest aan te tekenen tegen het accepteren van deze 6 niet geheel correcte stemmen. Zij krijgen gelijk van het classicaal bestuur, dat de kerkeraad gelast om de tegen zijn overtuiging benoemde kandidaat te beroepen. De kerkeraad weigert. Het classicaal bestuur neemt de taak van de kerkeraad over met het gevolg, dat Buitenpost tegen de wens van de meerderheid een vrijzinnige predikant krijgt, die bij zijn komst getuigt "dat hij in zijn hart gevoelt, dat hij van de Gemeente en mitsdien van God geroepen is".

De strijd van Ds. de Koe en enkele medestanders tegen het floreenstelsel is niet zonder resultaat gebleven. Het verzet tegen dit stelsel werd er door gestimuleerd en ds. de Koe heeft - hoewel hij al betrekkelijk jong, op 22 maart 1886 overleed - nog mogen beleven, dat aan het onrecht een einde kwam toen de Hoge Raad de kerkeraad van Oosterend, die het floreenjuk afwierp, in het gelijk stelde. De vrijzinnige ds. Aalbers vertrok in 1880 naar Purmerend. In zijn plaats kon in 1883 een rechtzinnige predikant worden benoemd, ds. K. Fernhout, die echter al in 1886 weer vertrok (naar Tzum) en vandaar overging naar de Dolerende gemeente van Zwartsluis. De Hervormde kerk van Buitenpost is sindsdien niet steeds rechtzinnig gebleven. De Doleantie van 1886 is daaraan niet vreemd geweest. De kerkeraad was in die spannende tijd op de hand van de Doleantie. Het kwam daardoor ook in Buitenpost tot een breuk, met de Gereformeerde kerk als gevolg.

Voorgangers van de Hervormde gemeente vanaf 1896 waren:

  • 1896-1903    ds. J. Steehouwer
  • 1904-1934    ds. J.E. de Vries
  • 1934-1938    ds. T. Leendertz
  • 1939-1958    ds. J. de Groot
  • 1951-1967    ds. J.Ph. Hilhorst
  • 1967-1974    ds. R. Bijl
  • 1975-1980    ds. L. Gulmans
  • 1981-1989    ds. C. Vijfhuizen
  • 1989-            ds. M.P.P.M. Oomens

De 'Pastory Huisingen'

Ook valt in de rekeningboeken van de kerkvoogdij te lezen dat men rond 1727 bezig was met het bouwen van een nieuwe pastorie. Het was toen ook al regel dat de timmerman zijn geld in termijnen kreeg. De bouwvakkers, die er aan werkten, werden door de kerkvoogdij niet vergeten. Toen het toe was aan het leggen van de balken, de meiboom kon er dus op, leverde Grietie Lieuwes een 'rinkelman bier' bij de timmerlui aan de pastorie af. Deze pastorie hield het niet zo lang vol, want bijna 60 jaar later, te weten op 18 januari 1786 verscheen er een advertentie van de kerkvoogden van Buitenpost in de Leeuwarder Courant in verband met een aanbesteding. Aanbesteed werd 'Het Afbreken van de Oude, en weder Opbouwen van een Nieuwe Pastory huysinge en Schuurke. Wie gadinge maakt kome op woensdag den 18 January, 's Morgens om 10.00 uur in de Herberg de Roskam en neeme op de dan voor te leezene Conditien". De laagste inschrijver, de 'Minstaanneemende', zou het werk worden gegund. Uit de tekst van de advertentie kon men opmaken dat de nieuwe pastorie op de plaats kwam van de oude. De kosten van het afbreken en opbouwen waren 3900 caroli gulden. Ruim 100 jaar later, in 1893, werd deze ambtswoning voor de predikant ingrijpend verbouwd voor 3618 gulden door timmerman J. Bulthuis. De kerkvoogdij zat in die tijd krap bij kas, maar gelukkig waren er zes milde gevers in de gemeente (waarvan vier met de achternaam 'Kuipers') voor een totaalbedrag van 2000 gulden. Er kwam een gift van diaconie voor 200 gulden. De rest van het geld werd geleend. Volgens de tekening van de verbouw was het de bedoeling om het voorgebouw van de pastorie op te trekken en de indeling van het achtergebouw belangrijk te wijzigen. Nu (in 1998) staat de in 1786 gebouwde pastorie aan de Voorstraat, in het centrum van het dorp, er nog fraai bij. Het is één van de weinig overgebleven woningen in ons dorp van cultuur-historisch belang. Het erf van de pastorie, de 'pastorieheemstede' ook wel aangeduid als 'Dominees Hiem' werd vele jaren benut voor het houden van de paardenmarkt in augustus. Van de grietenij kwam jaarlijks hiervoor een bepaalde huur binnen. Verder kunnen we in het rekeningboek lezen dat de markt op twee dagen werd gehouden.

Notulen kerkenraad

Hoewel de rekeningboeken van de kerkvoogdij en de diaconie al in de zeventiende eeuw begonnen, zijn de kerkenraadsverslagen van veel latere datum. De eerste zijn van januari 1817. Dit notulenboek, waarmee de eerwaarde broederen van toen maar liefst 73 jaar vooruit konden, straalt een zekere eerbiedwaardigheid uit. Het is maar een betrekkelijk klein formaat, maar heeft de dikte van een bijbel. De inkt is vaak erg verbleekt, maar het een en ander valt met de nodige inspanning nog wel te lezen. In de meeste gevallen was de predikant de notulist en die hadden gewoonlijk een goede hand van schrijven.

Op het eerste blad van het boek staat geschreven: "Handelingen der eerwaarde Kerkenraad der gemeente Buitenpost en Lutjepost, volgens eene nieuwe Kerkelijke ordening, begonnen den eersten january 1817". Het jaar daarvoor, in 1816, had koning Willem I het algemeen reglement voor het bestuur der Hervormde kerk in het Koninkrijk der Nederlanden uitgevaardigd. In deze nieuwe regeling werd waarschijnlijk voorgeschreven dat er elke kerkenraadsvergadering een verslag moest komen. Van een dergelijk verslag ws een standaard-model vastgesteld. Dit model vinden we ook vele keren in de verslagen tot ongeveer in 1870 terug. Het bevatte 4 artikelen en de redactie was als volgt: "Artikel 1: De vergadering werd door den praeses met gebed geopend. Artikel 2: De akten der voorgaande vergaderingen werden gelezen en welbevonden. Artikel 3: De praeses deed omvraag naar het gedrag van de leden der gemeente of ook iemand der broederen iets aan te merken of voor te stellen had, maar geene aanmerkingen werden gemaakt. Artikel 4: De vergadering werd met dankzegging gesloten." Op deze manier was het dus mogelijk om bijna driekwart eeuw met hetzelfde boek te doen.

Het kwam een enkele maal voor dat op de leer en de handel en wandel van gemeenteleden iets was op te merken. In 1897 waren er problemen in een bepaald gezin: "De oudste zoon Folkert heeft gevochten met zijn broer Fedde, met het gevolg dat de laatste erbarmelijk toegetakeld was". De sporen waren nog een aantal dagen duidelijk zichtbaar. De familie zou in stilte worden vermaand om zich van de avondmaal te onthouden. Ook over de bewoners van de diaconiewoningen kwamen wel eens klachten binnen. Rond 1900 waren er "krakeelen van een vrouw, genaamd Groote Hil". Zij lag regelmatig met haar buren overhoop. De voorzitter nam het op zich er heen te gaan "ten einde te vermanen tot beterschap van levenswijze".

Destijds was er een discussie over de consumpties tijdens de vergaderingen. Dominee Steehouwer zei: "dat hij altijd hiertegen bezwaar had gemaakt". De verteringen bestonden uit koffie met toebehoren en daarna een glas wijn. Zijn grootste bezwaar was dat zulks uit de diaconiekas werd betaald. Het leek wel of men op een visite of feestavondje was, aldus de predikant. Een broeder-ouderling vond het vastgestelde bedrag hiervoor van een rijksdaalder per vergadering "niet onbillijk maar geschikt". Een andere broeder zei: "dat vroeger veel meer voor de consumpties werd uitgekeerd en dat het altijd de gewoonte was". Na bespreking werd besloten de situatie zo te laten. Maar er waren dus nog betere tijden geweest voor het eerwaarde college op dit gebied.

Kerkeboeken

Dit zijn de doop-, trouw- en lidmatenboeken, die de voorlopers waren van de burgerlijke stand en de bevolkingsregisters. In de tijd van Napoleon werd in 1811 de burgerlijke stand ingevoerd, terwijl de eerste bevolkingsregisters van 1850 zijn. De kerkeboeken van Buitenpost beginnen bij het jaar 1645. Het was de taak van de predikant om deze boeken bij te houden. Er waren er bij die met een sierlijk handschrift met prachtige krulletters, maar het waren lang niet allemaal schoonschrijvers. Het is soms maar nauwelijks te lezen wat er staat geschreven. In de doopboeken vindt men de doopdatum en in de meeste gevallen ook de geboortedatum van de dopeling met de naam van de vader. Na 1772 kwamen de Staten van Friesland met strenge regels voor het bijhouden in duplo van de kerkeboeken. Ook werd toen de registratie van de naam van de moeder van de dopeling verplicht gesteld. De trouwboeken zijn weinig uitvoerig. In de regel werden slechts de namen van de woonplaatsen van bruidegom en bruid vermeld en zelden het beroep van de bruidegom. Op de 3 zondagen voor het sluiten van het huwelijk werd het huwelijk 'geproclameerd' (afgekondigd). Op de derde zondag, dus na de laatste afkondiging kon er worden getrouwd. Rond 1747 werd dit in het trouwboek omschreven als: "hun eerstee voorstel gehat op een bepaalde datum, en de twee andere op de opvolgende dagen des Heeren". Daarna kwam de aantekening 'Bevestigt' met de trouwdatum. Van het trouwboek is over en periode van 50 jaar in de 18e eeuw (1730-1780) een analyse gemaakt. Er werd een onderzoekje gepleegd voor wat betreft de woonplaatsen van de bruidegommen en bruiden. Men hoort wel eens vertellen dat verkering en trouwen met een partner uit eigen dorp valt af te raden. De jongelui kennen elkaar al vanaf de schoolbanken en alle grote en kleine zonden van beide zijden zijn in het dorp bekend. In het tijdvak van 1730 tot 1780 trouwden in Buitenpost 296 paren, waarbij in 121 gevallen stond aangetekend dat bruid en bruidegom beiden in dit dorp woonden. Hieruit kunnen we afleiden dat iets meer dan 40% van de jongelui kozen voor een levensgezel uit eigen dorp. De belangstelling voor een partner uit een andere plaats was dus groter. Misschien is hier ook wel het spreekwoord van toepassing van "wat men van ver haalt is lekkerder". Deze "van ver gehaalde" andere partijen kwamen echter niet van zo heel ver. Bijna allemaal woonden ze in de omliggende plaatsen en aangrenzende gemeenten. Het kwam in de genoemde periode maar in 18 gevallen voor dat men een bruid of bruidegom vond in een plaats buiten een straal van 25 kilometer rond Buitenpost. In vroeger eeuwen liepen de vrijersvoeten niet zo ver, maar dat kon ook niet anders. Tegenwoordig reizen ze de hele wereld rond en dan wil er wel eens een vonk op de andere sekse overslaan.

De lidmatenboeken werden in de eerste plaats bijgehouden om te registreren wie openbare belijdenis van het geloof hadden afgelegd en daarmee lidmaat van de kerk waren geworden. In het jaar 1773 hadden weer verschillende personen belijdenis gedaan en dominee Rondaan kon dus nieuwe namen in het lidmatenboek schrijven. Voor de Grietman en zijn vrouw, die ook bij de nieuwe lidmaten waren, deed hij extra zijn best. "Op den 28 December syn op een Vrijmoedige geloofsbelijdenis. Na op de gewigtigste stukken van onse dierbare gemeente geantwoordt te hebben, dese onse gemeente toegevoegt: den Hoog Ed. Gestrenge Heere: D.B. van Haersma (geboren Wijbrand), syn gemalin". Dan komt er nog een zegen achteraan: "De Heere Volvoere verder tot Zions Welsyn hunne Eeuwige en Onsterfelijke belangens". De rest van de nieuwe kerkleden kwamen niet in aanmerking voor een zegen. Zelfs in de lidmatenboeken uit die tijd is nog het verschil in stand duidelijk op te merken.

Evangelisatie

dominee de VriesEen apart verhaal binnen de geschiedenis van de hervormde kerk vormt de Evangelisatie. Na de uittocht van de verontruste leden de Hervormde kerk in 1834 en 1886 bleef het aanvankelijk rustig binnen de kerk van Buitenpost. De predikanten waren van rechtzinnige origine. Maar langzaam veranderde dit. De komst van drs. E. de Vries (foto rechts) in 1904 vormde de aanleiding tot de oprichting van een evangelisatievereniging. Deze verenigingen ijverden binnen de Nederlands Hervormde kerk voor een rechtzinnige prediking op de kansels van deze kerk. Waar deze ontbrak stichtten zij eigen verenigingen met eigen voorgangers (evangelisten) en eigen plaatsen van samenkomst (een kapel of een lokaal). De evangelisten deden in de praktijk hetzelfde werk als predikanten, maar zij mochten de sacramenten niet bedienen. De Evangelisatie in Buitenpost werd opgericht op 5 april 1905. De kleine groep ging voortvarend te werk, op 12 november 1905 kocht men een stuk grond aan de Irenestraat, de moestuin achter het woonhuis van de gemeente-secretaris dhr. Jonker, voor 900 gulden. Op 23 februari 1906 werd aan J. van der Molen opdracht gegeven om een evangelisatiegebouw met woning te bouwen voor 2840 gulden. Datzelfde jaar nog werd het gebouw in gebruik genomen.

Er zat groei in het aantal leden. In 1912 waren er 70 gezinnen bij betrokken, een zondagsschool met 72 kinderen, een 'jongelingsvereniging' met 13 leden en een 'jongedochtersvereniging' met 10 leden. Voorgangers waren dhr. Jager, dhr. Fricke, dhr. Van Veenen (de eerste vaste evangelist) en dhr. J. van der Net. Na Van der Net, die 34 jaar aan de Evangelisatie was verbonden, kwam de eerste predikant, ds. J.P. Hilhorst op 7 april 1951. In 1947 ontstond een voorzichtige toenadering tot de Hervormde gemeente, die aanleiding werd tot een verdere samenwerking. Dit resulteerde in 1950 in een gezamenlijke commissie voor het organiseren van het jeugdwerk. Langzaam groeide dit samenwerkingsverband uit naar andere terreinen.

Maar één en ander verliep niet geheel probleemloos. Zo kwam er onder andere onenigheid over het gebruik van het gebouw. Het lokaal werd namelijk te klein. Ook het werven van lidmaten door de vrijzinnige kerkeraad viel bij de Evangelisatie verkeerd. Allerlei procedures werden aangespannen. Uiteindelijk trad de gehele kerkeraad in mei 1958 af. Een nieuwe kerkeraad onder leiding van ds. Hilhorst nam de kerkelijke leiding over. Daarmee was ook de 'richtingenstrijd'voorbij en kon de Evangelisatie worden opgeheven. De onroerende goederen werden in 1962 verkocht. De kapel stond destijds tussen Boelensstate en Kapenga aan de Irenestraat.

Uit bovenstaande, maar evenzo goed uit de volgende artikelen over de kerkgenootschappen in Buitenpost, blijkt dat de ietwat badinerende oude Friese volkswijsheid:

Eén Fries:
een paar schaatsen
Twee Friezen:
een kerk
Drie Friezen:
een schisma

in onze woonplaats zijn gelijk heeft gekregen.