kluizenaar Albert Koning In de jaren dertig van de vorige eeuw woonde Albert Koning in een eigenhandig gemaakt onderkomen aan de Buitenposter Vaart, even voorbij het flapbrugje, waar nu mevrouw Vogel woont. Dit krantenartikel dat ons werd toegezonden verhaalt over de omstandigheden waarin Koning woonde. Wat daarbij opvalt is de toon waarin het stuk is gesteld. De verslaggever beschrijft de, naar onze moderne maatstaven erbarmelijke, omstandigheden waarin de kluizenaar leefde in koddige bewoordingen. Het is in die zin in meerdere opzichten een typisch tijdsbeeld. Albert Koning overleed eind december 1939. Met onze dank aan de inzender van het artikel en de foto.

13 October 1933 - “U moest den kluizenaar, dien we hier hebben, eens gaan opzoeken”. Zoo kwam er voor enkele dagen een bericht op ons redactiebureau. Kluizenaar? En dadelijk gingen onze gedachten naar het Veenklooster bosch, waar we wisten, dat een kluizenaar zetelt. Nee!, hier in de Mieden onder Lutjepost woont een zekere Albert Koning als een ware kluizenaar midden in een uit-gestrekte omgeving. Daar we graag eens met dezen bijzonderen man kennis wilden maken, zijn we op de fiets gestapt en naar de Mieden gepeddeld.

Ja, maar waar woont nou onze man?, vragen we ons af, als we de uitgestrekte vlakte aanschouwen. Geen nood, ter plaatse is Koning genoeg bekend en enkele personen die daar aan’t werk zijn, wijzen ons den weg. En inderdaad, na kordaat eenige slooten te hebben ‘genomen’, krijgen we zijn woning in ‘t oog. Te midden van rietgewas en poelen en plassen woont hij daar, een laantje voert ons naar de plaats van bestemming. En hier ontwaren we een tweetal hutten, opgetrokken van riet en planten. In de veronderstelling, dat de grootste wel bewoond zal zijn, richten we daarheen onze schreden. “Volk!”--, “Vollk” -- diepste stilte, alleen eenige kippen schudden hun veeren en kijken ons verbaasd aan, om bij onze derde uithaal verschrikt weg te vliegen. We proberen nu ons geluk bij de andere hut en ja, we hooren gestommel en daar verschijnt onze man, met een kleedingstuk, dat hij schijnbaar aan ‘t repareeren is, in de hand. Eenigzins verwonderd kijkt hij ons aan, doch al spoedig houden we een gezellig babbeltje aan de “deur”. Maar weldra komen we op godsdienstig terrein, en het blijkt dat Koning er een eigen, zeer aparte meening op na houdt. Hij leeft in de onfeilbare overtuiging dat hij reeds in den hemel woont en niet zal sterven, omdat hij reeds 20 jaar geleden de smarten des doods reeds heeft overwonnen. Alle nachten verwacht hij voorts den oordeelsdag en nimmer gaat hij voor het hanengekraai slapen. Hij vertelt zelfs, dat hij soms in zes weken helemaal niet slaapt. “Ja maar Koning, je slaapt toch wel eens?”, is onze vraag. “Neen, haast niet“, zegt Koning, “Ik ben altijd waakzaam, dat staat beschreven in de Schrift”. Verder vertelt Koning nog van een gezicht, dat hij den avond van 31 Augustus bij maneschijn heeft gezien, en dat het monsterdier moet zijn geweest, dat naar Koning zegt, in de Openbaringen van Johannes staat beschreven.

“Hoe oud ben je eigenlijk, Koning?“. “Nou, dat hoeft mijnheer niet te weten“ (bij nadere informatie blijkt ons echter, dat Koning thans 67 jaar is). “Je bent ook getrouwd geweest, niet?“, vroegen wij. “Ja, in 17 jier bin ik troud west, mar dea is dea, der wolle wy nou net mear oer prate“. “Waar leef je eigenlijk van?“, zoo vroegen we. “Nou, fan earmmeester Ploeg krij ik alle wiken trije goune, en oars is der ek net folle te fortsjinjen tsjinwurdich. Men kriget neat foar’t spul“. “Is dit land, waarop je woning staat, dan alles je eigen?“, merken we op. “Nou, det sil ik mynhear sizze:  for tsien jier, do’k hjir kaem bin, ha’k dit ln, dat 3,5 pounsmjit great is, for 900 goune kocht“. “Je woonde voor dien tijd in Zwagerveen, Koning. Hoe ben je hier eigenlijk verzeild geraakt?“, was onze volgende vraag. “Yn Sweagerfean wie ‘t folle djrder wenjen; do ha’k op in jountiid dit ln kocht fan ien t Burum“. “En heb je toen zelf dit huisje gebouwd?“. “Ja, de’t ha’k sels hielendal dien?“. En dan vertelt Koning, hoe dit in z’n werk gegaan is. De eigenlijke hut, waarin hij woont, bestaat uit een oudscheepje, dat hij op den wal heeft getrokken en dat verder met riet en planten tot woning is gemaakt. Als schoorsteen dient een oude melkbus, die op het rieten dak zit vastgemaakt. “Mogen wel wel eens bij je in ‘t huisje zien?”. “Ja seker wol, mynhear, kom mar mei”, zei den kluizenaar.

kluizenaar Albert Koning bij zijn woning in de Buitenposter Mieden

En dan volgen we Koning in z’n hutje, dat niet veel meer ruimte biedt dan voor n persoon. Hierin bevinden zich een kookkachel, waarop een ketel en een theepot, de eenige stoel, waarop Koning gaat zitten (ons geeft hij een plaatsje op een bankje) is bekleed met twee schapenvellen. Een tafeltje, in een hoek bevestigd, bevat wat zakjes met meel en eenig wittebrood. Verder staan er op den grond eenige doozen waarin naaigerei, als schaar, naald en draad (want Koning verstelt en naait zelf z’n kleeding). Vervolgens wat turf en hout en een bijl. Alles kris kras door elkaar. Kleeren bezit Koning wel, daar zorgen buren en bezoekers wel voor, die hem nu en dan het een en ander bezorgen. Een drietal katten zorgen voor de gezelligheid in huis. Wat de hut betreft, van binnen is deze bestopt met bordpapier, wat het tochten moet verhinderen. “Je zorgt zeker zelf voor je eten?”. “Ja, det giet sahwat, waerm iten krij ik net faek”, zegt onze kluizenaar. “Waar ben je eigenlijk geboren, Koning en waar heb je naar school gegaan?”. “Yn Twizelerheide gie’k nei skoalle”. “Je vader, wie was dat?”. “Det wie Jan Alles Koning, 25 jier ha’k yn ‘e hs west”, antwoordt Koning. “En ben je toen getrouwd?”. “Ja, mar ‘t wiif wier folle lder as ik. Se is nou al lang dea, en do wier se al 67 jier. Brn hawwe wy net hawn”, vertelt hij. “Heb je ook nog familie?”. “Ja, ik haw noch ien broer”. “Ben je nooit ziek?”. “Ja, wis wol, mynhear, forline winter ha’k siek west, do ha’k nei dokter de Neve mastere”. Onderwijl we dit Koning vragen, leest hij nu en dan eens een stukje voor uit den Bijbel of van een scheurkalender-blaadje en zingt ons eenige psalmverzen voor. Zijn antwoorden zijn vrij kort, terwijl hij af en toe maar doet, of hij ons niet hoort. “Maak je nog wel wat uit je kippen?”, vragen we, als we weer buiten zijn. “Nee”, zegt Koning, “de aaien jille neat en den iet ik se sels mar op”. “Nou, de schapen, daar maak je zeker wel wat uit?”. “Nee, net folle, dy forkeapje ik dan ‘s wer”, antwoordt Albert. “Je hebt ook geiten, zie ik, Koning, zoo merken we op, als we in een soort rieten hok een geit ontwaren”. “Ja, ik haw twa geiten”. “Nou, Koning, mogen we nu nog even in jouw andere woning zien?”. “Ja wis, mynhear”, zegt hij en gaat ons voor.

Gebukt, anders kunnen we er niet in, gaan we door een soort voorportaal en komen dan in een iets ruimer vertrek dan waarin Koning eigenlijk woont. Ook dit vertrek is van hout en riet opgetrokken en bevat wat grooter ramen. “Hjir ha’k myn eigenlyk hsgerei, zegt Koning, wijzende op een 4-tal stoelen, 2 kastjes en een tafeltje, die hier ook ruim kunnen staan”. “Is dat je bed?”, met deeze woorden wijzen we op een een groote ruimte in de hoek van de kamer, gevuld met hooi en stro. “Ja, zegt Koning, ik haw noch nije lekkens en in tekken d‘r oer hinne”. Nadat we rondom het huis nog even een en ander hebben opgenomen en Koning ons nog gewezen heeft op het mooie laantje en boschje, dat naar zijn huis toe leidt, nemen we afscheid van hem en wenschen hem alle goeds toe. Koning drukt ons dan nog eens stevig de hand en zegt “det mynhear foarl noch ‘ris wer komme moat”.