De drie personen`, waarvan iets in dit artikel wordt verteld, hebben gemeen dat ze tijdgenoten en buurtgenoten waren. Ze woonden in de eerste helft van de 19e eeuw aan de doorgaande weg in Buitenpost, tegenwoordig de Voorstraat genoemd en wel aan de zuidzijde van de weg tussen de huidige Kuipersweg en De Schepperstraat.

De kadastrale kaart van 1832 van Buitenpost toont aan dat aan het genoemde gedeelte tien huizen stonden en achter deze bebouwing was een doopsgezind kerkje gevestigd. Nu (in 2005) staan er nog tien huizen, maar in de loop der jaren is er een aantal afgebroken en op dezelfde plaats weer opgebouwd. Zoals de meeste oude woningen, is het merendeel ingrijpend verbouwd en gemoderniseerd en vele oude gevels zijn verdwenen. Dan rijst de vraag welk bouwjaar deze woningen hebben, die op die kaart stonden. Het is wel zeker dat we hier met een heel oud gedeelte van het dorp hebben te maken. In oude belastingregisters (Speciekohieren) valt na te gaan dat op deze plek rond 1790 al enkele huizen stonden. Maar in een belastingkohier van 1809 vinden we, bij het genoemde gedeelte van de straat, op tien verschillende huisnummers de namen van de aangeslagen bewoners van destijds en de verschuldigde bedragen. Deze extra heffing was nodig om de hier toen heersende keizer Napoleon zijn verdere oorlogsvoering mogelijk te maken. We kunnen wel aannemen dat de bebouwing van dit deel van het dorp op de kaart van 1832 ook al in het jaar 1809 aanwezig was. Zo omstreeks 1800 telde Buitenpost nog maar circa 600 inwoners en deze woonden behalve buiten de bebouwde kom, aan de Voorstraat en voor het overgrote deel aan de Kerkstraat, destijds Kerkelaan genoemd. Andere oudere straten zoals Kuipersweg en Schoolstraat ontstonden ongeveer een eeuw later.

Een reeks van klachten

Omstreeks het jaar 1800 vestigde zich te Buitenpost de heer Frederik Wilhelm Spangenberg (1766-1846) met zijn vrouw. Behalve zijn functie als rijksontvanger, was hij ook bevoegd als heelmeester. Zijn naam komt voor op de jaarlijks door het bestuur van Achtkarspelen opgemaakte lijst van de in deze grietenij wonende geneeskundigen met de vermelding 'admissie behaald op 2 augustus 1802 te Leeuwarden'. Waarschijnlijk heeft hij in Buitenpost geen praktijk gehad. Spangenberg huurde aanvankelijk een huis aan de Voorstraat van grietman Sibrand van Haersma, maar in 1828 werd dit zijn eigendom voor f 1300,-. Het lijkt er op dat hij gebrek aan geld kreeg, want een jaar later leende hij van dezelfde Van Haersma een bedrag van f 1400,- met als onderpand de woning. De plaatselijke notaris Romein maakte de akte op. Het was op 21 maart in het jaar 1832 dat de rijksontvanger Spangenberg een lange brief schreef aan de gouverneur van Friesland, waarin een reeks van klachten. Het ging over verschillende zaken, zoals het beledigen en het bedreigen door de ingezetenen van hem en zijn zoon, die tevens zijn klerk was, het feit dat de glazen van zijn woning waren ingegooid en verder klachten over niet voldoende bescherming door de bevoegde autoriteiten van zijn persoon en goederen. Verder klaagde hij over grove misbruik bij de aangifte voor de personele belasting door de ingezetenen. Drie dagen later, op 24 maart, reageerde de gouverneur op deze klachten door aan de grietman van Achtkarspelen inlichtingen te vragen wat er in Buitenpost aan de hand was. De brief uit Leeuwarden had de volgende inhoud: "Mij vleyende, dat het hierbij gevoegde berigt van de heer Spangenberg, Ontvanger der Directe Belastingen en Accijnzen te Buitenpost, d.d. 21 dezer, enigermate overdreven zal zijn, verzoek ik u niettemin van Uw Edel Achtbare, die blijkens gezegde Missive bereids met deze zaak geadresseerd is, om na afloop van het ingestelde onderzoek aan mij deswegens te berigten, om alle pogingen aan te wenden, niet alleen tot ontdekking van de schuldigen maar ook tot voorkoming, dat erger verdere molesten, noch aan de persoon, noch aan de eigendommen van 's Lands Amtenaren, plaats hebben.

Eigen schuld?

Op 3 april 1832 schreef grietman Van Haersma een uitvoerige brief aan de gouverneur over het gebeurde. Van beledigingen en dreigementen door de belastingschuldigen, had Van Haersma nog nooit eerder gehoord. Het was echter wel waar dat in de nacht van 20 op 21 maart 1832 de glazen van de woning van de heer ontvanger waren ingeslagen. Reeds op de morgen van dezelfde dag was er van de heer Spangenberg een schriftelijke klacht op het grietenijhuis ontvangen. De 'vereischte inspectie' was weliswaar niet onmiddellijk genomen, maar wel omstreeks zes uur 's avonds van die dag. Dat deze vertraging "geenszins was toe te schrijven aan de onverschilligheid van het grietenijbestuur omtrent het gepleegde feit, om den ontvanger het vereischte regt te doen erlangen, maar veroorzaakt is door dien het bestuur (de grietenijraad) dien dag vergaderd was. Grietman van Haersma eerst dat die vergadering afgelopen was en hoegenaamd geenen noodzakelijk zag en "dien volgens er ook geenen roeping toe voelde om die vergadering voor den tijd te verlaten, teneinde de bedoelde inspectie te bewerkstelligen". Verder ging de grietman in op de klacht van de ontvanger dat hij niet voldoende door het grietenijbestuur werd beschermd. Hierover werd bericht dat na het ingooien van de glazen "de grietman alle nachten tot nu toe door twee policiebedienden bij de ontvangerswoning de wacht heeft doen houden om de door Spangenberg gevreesde gevaren voor zijn persoon en goederen zoo nodig af te weren".

Daders onvindbaar

Vervolgens werd naar voren gebracht dat het niet was gelukt om de daders van het inslaan van de glazen op te sporen. "Deze hatelijke bedrijven uit nijdigheid der ingezetenen of verdere aanranding van personen" waren in het algemeen moeilijk te vinden, zowel in de steden als op het platteland. Dan kwam er van de kant van de grietman in de richting van de ontvanger een steek onder water: "Zoo als de heer Spangenberg bekend zal zijn, wanneer Zijne Edele zich maar gelieft te memoriseren, dat voor weinige jaren nog de hut van zijne buurvrouw bij nacht is omvergehaald en daarbij meerdere ongeregeldheden werden gepleegd, waarvan weliswaar zijnen zoon of klerk ernstig is beschuldigd geworden, doch hetwelk in regte, niet is bewezen geworden". Nogmaals wees de grietman er op dat dergelijke ongeregeldheden vaak onmogelijk zijn te voorkomen en niet kunnen worden toegeschreven aan "flaauwheid in den waakzaamheid der Policie".

Oproerige Belgen?

Omtrent de klachten van de ontvanger over de belastingplichtigen in Achtkarspelen, in zijn brief was sprake van "grove misbruiken bij de aangifte voor de personele belasting", schreef grietman van Haersma, dat hij dit niet wist. Hij was er wel van op de hoogte, dat in verband met de nieuwe regeling, sommige ingezetenen per abuis een niet juiste opgave hadden gedaan. De grietman vond het "absurd" om dit "grove misbruik" te noemen. Niet meer dan "drie ducaten" zou de aanslag van een aantal belastingschuldigen hierdoor misschien te laag zijn. Grietman van Haersma was verder van oordeel dat in de brief van de ontvanger Spangenberg de ingezetenen van Achtkarspelen in een zeer kwaad daglicht werden gesteld. In het schrijven kwamen "beleedigende gezegden" voor. Hij vergeleek onder andere de belastingbetalers met een troep oproerige Belgen. De grietman was het hiermee beslist niet eens en stelde hiertegenover dat de ingezetenen "in het algemeen zeer stille en vreedzame" personen waren. Deze gebeurtenis speelde zich af ten tijde van de oorlog met BelgiŽ. De Belgen waren dus de vijanden, waar een jaar eerder de tegen was opgetrokken in de Tiendaagse Veldtocht. Een dergelijke houding was volgens de heer van Haersma zeker niet bevorderlijk voor een goede verstandhouding met zijn "contribuabelen". Naar de mening van de grietman moest de ontvanger zijn houding wijzigen. In het tegenovergestelde geval zou hij voor de gevolgen niet in kunnen staan. We kunnen wellicht hieruit concluderen dat grietman Van Haersma van mening was dat de belastingplichtigen in Achtkarspelen door de rijksontvanger en zijn klerk, die, zoals eerder werd vermeld, tevens een zoon van hem was, niet op de juiste manier werden benaderd. Vandaar de beledigingen, de bedreigingingen en het inslaan van de glazen. Met andere woorden, deze problemen waren eigen schuld. Aan het slot van de brief belooft de grietman verder zijn best te doen om de schuldigen op te sporen.

"Wat ligt in het hoofd"

Een van de politiemannen in de grietenij Achtkarspelen gedurende de eerste helft van de 19e eeuw was Fokke Gerbens IJtsma, geboren in 1789. Hij woonde met zijn vrouw (Antje Gaukes Witteveen) en kinderen te Buitenpost op de hoek van wat destijds noemde de Rijksstraatweg en het Molenpad, nu respectievelijk Voorstraat en De Schepperstraat. In het kadaster van 1832 wordt het beroep van IJtsma met "dienaar der justitie" aangeduid. Wat Fokke Gerbens onder andere beleefde kunnen we nu nog lezen in een verslag van een zitting van de rechtbank te Leeuwarden d.d. 10 mei 1826. Het ging IJtsma op 29 december 1825 bepaald niet voor de wind. Wat gebeurde er op die dag? Hij had opdracht gekregen om de militair Douwe Thomas Dijkstra naar de gevangenis in Leeuwarden te brengen, die door de politiebediende Dirk Keimpes van der Meer van Drogeham, was gearresteerd. Zo ging Fokke Gerbens op de bewuste dag in de maand december van het jaar 1825 met de gevangene op reis naar de Friese hoofdstad, maar deze missie mislukte. Er zat niets anders op dan verslag te doen aan Dirk Keimpes van der Meer, die blijkbaar zijn meerdere in rang was. In de volgende nacht na de mislukte reis kwam IJtsma stiekem bij Van der Meer aan huis om het verhaal te vertellen. Deze moest hiervan wel aangifte doen bij de vrederechter van het kanton Buitenpost en zo stond de veldwachter uit Buitenpost vijf maanden later voor zijn rechters. Er waren een drietal getuigen opgeroepen die de beklaagde en zijn gevangene op de dag van het transport naar Leeuwarden hadden gezien. Dit ging in die tijd nog te voet. Jilles Ates Tjoelker (27), winkelier te Augustinusga, moest op die dag ook naar Leeuwarden en was voor de gezelligheid tot Tietjerk met het tweetal meegelopen. Hij had toen gezien "dat de gevangene ongeboeid en ongebonden was en dus los medeliep".  Verder viel het hem op dat de Buitenposter veldwachter "wat ligt in het hoofd was". Het was een hele wandeling van Buitenpost naar Leeuwarden en het lag dus ook voor de hand dat er eens moest worden uitgerust. Dit gebeurde bij Hendrik Heikamp (43), tapper onder Bergum. Deze verklaarde voor de rechtbank dat IJtsma "bij hem wel eens een borrel gedronken had, maar niet gezegd kon worden dat hij beschonken was". Hierna werd de reis voortgezet, maar vlak voor de stad nam Dijkstra de benen, die blijkbaar de 'logeerpartij' daar niet zag zitten. IJtsma rende achter zijn gevangene aan en riep de hulp in van de schipper Hidde Heins Hiemstra (52), die daar met zijn schip lag. Deze verklaarde "dit evenwel niet te hebben gedaan, daar hij zo hard niet konde lopen". Fokke Gerbens IJtsma, die was aangeklaagd voor het laten ontvluchten van een gevangene, werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 maanden. Voor welk feit Douwe Thomas Dijkstra was opgepakt, viel niet te achterhalen. Het liep echter wel tragisch met hem af, want nog in hetzelfde jaar van zijn arrestatie, op 5 november 1826, stierf hij in de infirmerie (ziekenhuis voor militairen) te Harderwijk. Dijkstra was toen nog maar 29 jaar oud. In de overlijdensakte kunnen we lezen, dat hij te Drogeham werd geboren en "fuselier was bij de eerste divisie van het algemeen depot der Landmacht in het garnizoen".

Aanslag te hoog

Kornelis Dirks Zijlstra (1773-1857) heeft een heel groot deel van zijn leven in hetzelfde huis gewoond aan de Voorstraat te Buitenpost. Hij was gehuwd met Jeltje Jelles Brouwer, overleden in 1859. In een belastingkohier (Speciekohier) van 1801 komen we zijn naam bij genoemde buurt al tegen. Vanwege het feit dat zijn huis twee schoorstenen (haardsteden) had, en hij de de bezitter was van 3 koeien en een paard, moest hij drie caroliguldens betalen. een caroliguldenVervolgens zijn wij hem gevolgd in de registers van de personele belasting en het blijkt dat in 1854 nog steeds op het adres woonde van 1801. Zijn beroep was koopman en daarnaast is hij gemeenteraadslid en wethouder geweest. Het was in 1834 dat hij bezwaar aantekende tegen een aanslag in de personele belasting. Deze belasting zat nogal ingewikkeld in elkaar en was gebaseerd op de huurwaarde. De grondslagen die hiervoor meetelden was het aantal vensters, deuren, schoorstenen, dienstmeiden, paarden en het meubilair. De taxateurs voor de belasting waren bij Zijlstra langs geweest en hadden onder andere de deuren en ramen van zijn huis geteld en waren op een totaal van 16 gekomen. Nu handelde de man onder meer in wol en granen en de zolder (voorzien van lichtgevende vensters) werd gebruikt om deze handelswaar op te bergen. Voor andere doeleinden werd de zolder niet gebruikt. Nu hadden de schatters deze vensters meegeteld en daar was de reclamant het niet mee, omdat volgens de regeling deze niet mochten worden belast. Na aftrek van deze zolderramen bleven er nog 9 ramen over, die voor de belasting konden worden meegenomen. In het gemeentearchief van Achtkarspelen is dan ook een brief te vinden van het 'Collegie van Zetters van de Gemeente Buitenpost' aan de 'Controleur der Rijksbelastingen te Bergum', waarbij onder andere werd bericht dat "de reclamant voorzover ons bekend is zijne opgedachte zolder sedert jaren werkelijk gebruikt tot berging van wol en zoldering van granen, in welke producten hij mede handel drijft". Naar de mening van het zetterscollege waren de bezwaren van Zijlstra gegrond en behoorde het teveel betaalde worden teruggestort. Nog even terug te komen op het zetterscollege. Elk 'district van ontvang' had behalve een ontvanger ook een dergelijke commissie, die als adviesinstantie diende. Verder kwam het nogal eens voor dat boeren in verweer kwamen, omdat er een paard of een dienstbode te veel was meegeteld. In dit verband werden dienstbodes en paarden dus gelijkgeschakeld, wat dan weer een wat komische combinatie opleverde in het zettersverslag als: "afgeschafte voorwerpen: een meid en een paard". Hierbij wordt nog aan toegevoegd dat Kornelis Dirks Zijlstra blijkbaar overal handel in zag, want hij was in september 1834 de provisionele koper van de buitenplaats Oosterburen te Augustinusga voor f 2001,-. Hierbij was de verplichting om het te laten afbreken. Kennelijk was het zijn bedoeling om met de verkoop van het afbraakmateriaal winst te maken. Bij de finale verkoop kreeg hij het echter niet in handen, want er was een koper met een hoger bod.</p>

Bron: gemeente-archief van de gemeente Achtkarspelen en Tresoar te Leeuwarden. Dit was een publicatie namens de Stichting Oud-Achtkarspelen - Historisch Allerlei deel VII.