het oude wapen van achtkarspelen Buitenpost is niet altijd de hoofdplaats van de gemeente Achtkarspelen geweest. Ook Augustinusga, waar tot 1827 het grietenijhuis (de grietenij was de voorloper van de gemeente) heeft gestaan, was lange tijd zetel van Achtkarspelen.

Als delen (of kwartieren) van het tegenwoordig Friesland tussen het Flie en de Lauwers worden reeds omstreeks het jaar 800, dus onder het bewind van Karel de Grote, Oostergoo en Westergoo genoemd. Er wordt aangenomen dat Achtkarspelen door de geloofsverkondiger Liudger (742-809) tijdens zijn kerstening van onze regio werd gesticht. Overigens een taak die niet zonder risico was want zijn voorganger Bonifatius was in 754 bij Dokkum vermoord. Toen Liudger in 805 bisschop van Munster werd, viel daardoor Achtkarspelen onder het bisdom Munster. Tot 1599 nam Achtkarspelen daarmee lang een aparte plaats in Friesland in, want in de Middeleeuwen was de rest van Friesland onderdeel van het bisdom Utrecht. De naam Achtkarspelen wordt voor het eerst vermeld in 1338 in een verbond met de stad Groningen. Als onderdeel van het bisdom Munster had haar bisschop hier uiteindelijk niet alleen de kerkelijke, maar ook de wereldlijke macht. Binnen het bisdom viel Achtkarspelen onder het aartsdiakonaat 'Frisia', toen ruwweg het grondgebied van de huidige provincie Groningen. Daarbinnen was het weer onderdeel van het decanaat 'Oldehove'. De naam Achtkarspelen is geworteld in de acht oorspronkelijke 'kerspelen' die daarvan over het riviertje De Lauwers lagen. De voor het eerst bij name in een decanaatsregister van 1475 genoemde kerkdorpen waren: Augustinusga, Buitenpost, Drogeham, De Kooten, Kortwoude, Lutkepost, Surhuizum en Twijzel.

kaartje van de aartsdiakonaten rond 1100

Kaartje van de aartsdiakonaten ten tijde van de opkomst van de kloosters, ruwweg rond 1250. Ook staan de voor onze omgeving belangrijke kloosters ingetekend: Gerkesklooster, Veenklooster (Olijfberg), Buweklooster en Galilea. De uitstulping in het groene gebied van aartsdiakonaat Frisia is 'octo parochie' ofwel 'de acht kerspelen'.

Omstreeks het midden van de 13e eeuw schijnt er een nieuwe regeling voor gemeenten en het rechtswezen in Friesland ingevoerd te zijn, met een Grietman aan het hoofd. Deze naam, afgeleid van het woord 'gretha', betekent: 'aanklagen' of 'in rechte vervolgen'. Het ambt van Grietman zou dus oorspronkelijk zijn: de overtreders van de wet aanklagen, in rechte vervolgen. In 1248 wordt van het woord 'grietman' voor het eerst melding gemaakt. Maar wat precies de aanleiding in Friesland is geweest om dorpen in grotere gehelen, zoals een grietenij was, op te nemen is nog steeds een vraag. De periode van de 12e tot de 15e eeuw staat ook wel bekend als 'de tijd van de Friese vrijheid', waarin zelfbestuur en vooral ook de invloed van lokale bestuurders belangrijk waren. Lees meer over de grietmannen van Achtkarspelen: hier.

Na de tachtigjarige oorlog

Met het einde van de Tachtigjare Oorlog werden de bestuurlijke verhoudingen in Nederland herschikt. In 1580 werd het grootste deel van Friesland opgenomen in de Unie van Utrecht. Het gewest werd toen aangeduid als een "algemene heerlijkheid" ofwel de heerlijkheid Friesland. De Staten van Friesland waren samengesteld uit afgevaardigden van de 11 steden en de 30 grietenijen. Vanaf 1580 zijn de stadhouders altijd leden van het huis van Nassau geweest. Een feit dat de Oranjes later gebruikten als basis voor hun claim op het koningschap van de Nederlanden. De voormalige gouwen Oostergo, Westergo, Zevenwouden en de elf steden vormden samen de kwartieren van Friesland (1579-1795), zie het kaartje onder. Achtkarspelen was vanaf toen dus onderdeel van de 'heerlijkheid Friesland' in het kwartier 'Oostergo'.

kaartje van de kwartieren van friesland na 1580

Het wapen van Achtkarspelen

afbeelding van het wapen van achtkarspelen Het wapen van Achtkarspelen werd op 25 maart 1818 aan de gemeente toegekend en wordt tot op heden gebruikt. Het komt voor het eerst in 1416 voor op een zegel. Deze toont al een kerk met acht torens, met het verschil dat twee van de torens groter zijn dan de anderen. Het voormalig grietenijhuis in Augustinusga bevatte ook een steen waarop een versie van het wapen was afgebeeld deze toont een kerk met 8 torens, symmetrisch maar wel met twee verschillende groepen van vier gelijke torens (Plaatje rechts). De 17e steen is nu op het pleintje van het genoemde dorp terug te vinden. Waarom er voor een kroon van negen parels is gekozen is onbekend. Er is in 1984 wel een voorstel gedaan om de kroon aan te laten passen, maar daar is vanwege de hoge kosten toch van afgezien. Het blazoen van het wapen luidt als volgt: "Van zilver beladen met een kerspelkerk met acht torens, staande op een groene grasgrond. Het schild gedekt met een kroon van goud". Hierbij wordt niet gemeld dat de kroon op het wapen geen normale kroon is, het is een kroon van negen parels. Het schild is van zilver en de kerspelkerk is rood van kleur met blauwe daken.

Het eerste grietenijhuis in Buitenpost werd pas in 1827 gebouwd. Dit in het straatbeeld van de Voorstraat opmerkelijke 'huis met de pilaren' staat er nog steeds. Bouwer was Jurjen Jacob Dijkstra. Het bouwen begon, ondermeer door bedenkingen elders in de gemeente, pas nadat met veel moeite de benodigde toestemming van de provincie was verkregen. Het nieuwe pand had een dubbele functie: het was grietenijhuis en tegelijkertijd herberg. De benedenverdieping was ingericht voor het ambtelijk bestuur met twee kamers, één voor de Grietenijraad en één voor de secretarie. In een achterkamer was herberg 'De Engel' te vinden. Het kwam regelmatig voor dat men aan de voorkant de aangifte van een geboorte of overlijden deed en aan de achterkant het belangrijke moment met 'wat sterkers' vierde of het leed verzachtte. Met de Gemeentewet van Thorbecke in 1851 veranderde de 'grietenij' in 'gemeente' en heette de 'grietman' voortaan 'burgemeester'. De laatste grietman en de eerste burgemeester van Achtkarspelen was aldus jonkheer mr. D. De Blocq van Haersma de With. Deze gelegenheid was een nieuw aangrijpingspunt voor andere dorpen in de gemeente om de indeling van de gemeente ter discussie te stellen. Met moeite werd de eenheid bewaard; lees meer erover: hier. Het 'grietenijhuis' werd werd omgedoopt in 'gemeentehuis'. In 1856 werd dit huis der gemeente met een bovenverdieping uitgebreid.

In die tijd was het dus nog steeds niet vanzelfsprekend dat het bestuurlijk centrum van de gemeente in Buitenpost thuishoorde. In 1888 kwam deze kwestie, net als in 1827, opnieuw aan de orde. Onder leiding van ds. Mouthaan uit Rottevalle werd een door meerdere inwoners ondersteund verzoek gestuurd, om het gemeentehuis naar een meer centrale plaats in de gemeente te verplaatsen. Het was een heikele kwestie, die uiteindelijk met één stem meerderheid, in de raadsvergadering van 16 januari 1889, in het voordeel van Buitenpost werd beslist. Lees meer hierover: hier.

Ook aanschaf Nijenstein betwist

In 1893 werd Nijenstein als gemeentehuis in gebruik genomen. Daarvoor had dat in het straatbeeld dominante gebouw ondermeer dienst gedaan als 'Huis van opvoeding en onderwijs' van de heer Poutsma. Ook deze aanschaf ging niet zonder slag of stoot. Opnieuw werd onder aanvoering van een dominee, ditmaal ds. Pekelharing van de doopsgezinde gemeente uit Surhuisterveen, met verve geprotesteerd. Bij deze acties werden ook de Provinciale Staten betrokken. Er werd een verzoek met meer dan 300 handtekeningen gestuurd, waarin verzocht werd om de aankoop tegen te houden - maar wederom zonder resultaat. Nijenstein zou de functie van gemeentehuis bijna een eeuw lang vervullen en onderging veel kleine en grote veranderingen, die nu nog maar ten dele zichtbaar zijn.

Vooral na 1950 groeide de gemeente snel en daarmee ook het aantal ambtenaren. In het begin van de jaren zeventig werd de bouw van een nieuw gemeentehuis dringend noodzakelijk. Inmiddels was het gemeentebestuur al 'uitgeweken' naar het Jeltingahuis aan de Stationsstraat waarvan de gemeente in 1959 eigenaar was geworden. Na een ingrijpende verbouwing werd het in 1961 in gebruik genomen voor de vergaderingen van de gemeenteraad en burgemeester en wethouders, voor het sluiten van huwelijken en voor officiële ontvangsten. De officiële ingebruikstelling door koningin Juliana, ter gelegenheid van haar werkbezoek aan ondermeer de gemeente Achtkarspelen, vond op 21 april 1961 plaats. Toen steeds meer duidelijk werd dat er een nieuw gemeentehuis moest komen, werd uiteindelijk gekozen voor de bouw van een nieuw gemeentekantoor achter het Jeltingahuis. Daarvoor moest wel de appelhof worden opgeofferd. Ondanks de beperkte ruimte lukte het om het fraaie aanzien van het Jeltingahuis te bewaren. Met de bouw van het gemeentekantoor werd gestart in 1976. Op 5 september 1977 kon het nieuwe gebouw, na ruim anderhalf jaar bouwen en een kostprijs van ruim 5,5 miljoen gulden, in gebruik worden genomen. Het werd op 11 oktober 1977 door minister van Binnenlandse Zaken mr. P. van Dijke officieel geopend. Zo'n twintig jaar lang voldeed de nieuwe situatie, maar in 1996 was er opnieuw roep om uitbreiding. In februari van dat jaar werd besloten dat er een grote, bijna ƒ12 miljoen gulden kostende, verbouwing van het gemeentekantoor nodig was. De verbouw bestond uit drie onderdelen. Het monumentale Jeltingahuis waarin de trouw- en raadszaal is gevestigd werd voor 1,2 miljoen gulden gerestaureerd. De daarin aanwezige woonruimte voor een bode, die tot dan toe er ook daadwerkelijk woonde, verdween en werd in de werkruimtes opgenomen. De raadszaal verhuisde naar binnen het gemeentekantoor en het 'oude' gemeentekantoor, waar het gros van de ambtenaren werkt, werd verbouwd. Voor een totaalbedrag van ongeveer ƒ 3 miljoen kwam er zo circa 1200 vierkante meter kantoor- en vergaderruimte bij.

Laatste ontwikkeling

Op 1 juni 2010 begon men nogmaals aan een bouwproject in het gemeentehuis. Men ervoer toch nog beperkingen voor een optimale werksituatie en de Arbeids Omstandigheden-wet stelde scherpere eisen aan de werkruimte van de ambtenaar. Er kwam nog een vleugel aan het kantoor waar ondermeer een ruime en moderne raadszaal in werd ondergebracht. Verder werd er enige werkruimte aangebouwd en heringericht in het oude gemeentekantoor, dit alles voor een bedrag van ruim 3 miljoen euro. Op 8 juni 2012 werd het vernieuwde gemeentekantoor heropend.

Zo is Buitenpost al ruim anderhalve eeuw de hoofdplaats van de gemeente. Die functie heeft mede het karakter van het dorp bepaald. Voor velen blijft Buitenpost een dorp van 'onderwijzers en ambtenaren'. Die wonen er ook in grote getale want naast bestuurscentrum is Buitenpost, dankzij een gevarieerd scholenbestand, ook onderwijscentrum. Toch heeft de forse groei van het inwonertal in de afgelopen vijftig jaar er voor gezorgd, dat het voorheen ervaren 'deftige' karakter verdwenen is.