Allereerst vertellen vier oud-Buitenposters anekdotes over hun kwajongenstijd: Juul Beerda, Minne Bosma, Ids Bulthuis en Oane Molenaar. Een korte kennismaking met de heren. Juul Beerda, zoon van de onderwijzer Beerda; hij is altijd in Buitenpost blijven wonen. Minne Bosma, woonde tot zijn 24-ste in Buitenpost, waar hij geboren werd vlak bij de molen die aan de Trekweg stond en die afbrandde toen hij 4 jaar was. Ids Bulthuis, die in het huis van Marten van der Heide woonde aan het eind van de Kuipersweg, bij de garage. Hij reisde over de hele wereld, was onder andere staalinspecteur in AustraliŽ en ging mee met een handelskaravaan door Saoedi-ArabiŽ. Oane Molenaar, geboren in het oude huis van Mintsje Kramer aan de Stationsstraat, waar hij enkele jaren woonde. Op zijn 18de ging hij naar zee, tot zijn 27ste was zijn thuis in Buitenpost.

Oudejaarsavondstunt

De grootste stunt haalden deze heren uit toen ze zo'n 15 of 16 jaar waren; dat is nu precies 50 jaar geleden op Oudejaarsavond in 1952. Ze vonden dat er eens iets spectaculairs moest gebeuren in Buitenpost. Met carbid knallen, hekjes weghalen en dat soort dingen hadden we al zo vaak gedaan. We zouden iets groots doen. In de Molenstraat, op de plaats waar nu de Molenhof staat, was een half afgebroken molen. In de oorlog draaide de molen nog, maar hij had nu geen wieken meer. Het 8 meter hoge stenen onderstuk met plat dak stond nog overeind. Daar wilden we een kar ophijsen. We namen de sneeuwwitte viskar van de visboer aan de Voorstraat (tussen Dijkstra en de stoffenwinkel van Kieviet). Met touwen gewapend klommen we op de oude molen, maar hoe we ook trokken en hesen, we kregen de zware viskar niet over de uitstekende rand aan de bovenkant van de 8 meter hoge muur. We moesten er mee ophouden. Maar zo gauw gaven de dappere helden de moed niet op. Ze sleepten de kar van Edzer de Haan, boer aan de Voorstraat, waar nu de Bouhof is, uit de schuur en trokken hem over het mulle zandpad, dat toen Mounepaed heette (thans de Schepperstraat). Niemand hoorde wat! Ook Edzer merkte niets. "We klommen met de touwen (van paardenkoopman Piet Mulder, (achter wat nu de Point is) op de molen, wat slechts lukte als we boven op de nok van de schuur gingen staan, die tegen de molen gebouwd was en ons optrokken aan de rand van de molen. Best gevaarlijk. We demonteerden de kar van Edzer: pinnen eruit, eerst de schotten eraf, daarna de 'bukberries', de twee voor- en achterwielen met de dissels werden er afzonderlijk afgehaald en alles in gedeelten opgehesen. Drie van ons stonden boven op het dak, de anderen zorgden voor de rest. Het ging niet gemakkelijk Het moeilijkst was de uitstekende rand van de muur, waar we steeds omheen moesten. We waren er uren mee bezig. In ons enthousiasme vergaten we dat meester van der Woude ons best kon horen en misschien ook nog wel zien; het was helder en vorstig en de maan scheen. De politie patrouilleerde (op de fiets) - "ze zagen ons even niet";.

foto van de kar op de peperbus, oudejaarsstunt 1952

Aan het eind van de operatie dronken de jongens een borreltje en verheugden zich op de gezichten van de volgende dag. Iedereen vond het prachtig! Niemand maakte een negatieve opmerking en wij vonden het een schitterend gezicht: de kar bovenop de molen. Edzer nam het goed op. "Zouden jullie hem er ook weer af willen halen?, vroeg hij, maar dat hebben we niet gedaan, want eraf was gemakkelijker dan erop".

Klokkenluiden

Op oudejaar werd de klok niet geluid in Buitenpost. De kerkenraad was daar tegen. Wij waren het daar niet mee eens. Tijdens de oudejaarsdienst kropen we in de toren en lieten ons daar door de koster insluiten; hij wist niet dat we er zaten. We vermaakten ons met wat we daar aantroffen, er lagen de vreemdste voorwerpen op de zolder en om twaalf uur begonnen we te luiden dat het een lust was. Toen we eindelijk ophielden, lieten we ons aan een touw door het laagste raampje, dat we open konden krijgen naar buiten zakken. Niemand zag ons. Toen we al lang tussen de mensen stonden, bengelde de klok nog steeds; we hadden hem niet stil getrokken. "Hoe komen die jongens er weer uit?", zeiden de mensen, "de deur zit op slot". De deur werd opengemaakt, de politie trad naar binnen en vond niemand. Sinds die keer wordt op elke oudejaarsavond de klok geluid. Of dat nog gebeurt? Er is te veel geknal om het te kunnen horen.

Kwajongensstreken

In die tijd was hier politie Hendriks. Hij deed alles op de fiets. Op oudejaarsavond knalden we met carbid. Hij probeerde ons te betrappen, maar telkens als hij bij ons in de buurt kwam, hielden we op met knallen en begonnen de jongens in een andere hoek van het dorp. Hendriks vloog van links naar rechts. Hij was een strenge agent. Hij fouilleerde onze broekzakken, maar wij hadden de knalletjes en de voetzoekers onder de knie in de pofbroek. Als het hem te erg werd, sloeg Hendriks ons. "Wie houdt ons hier voor de gek!", riep hij dan. We hebben Hendriks een keer te pakken gehad. We hadden niets gedaan, maar we liepen hard weg en kropen in het schuurtje achter het huis van Juul. Van daaruit zwaaiden we naar hem. Hij werd kwaad, terwijl we niets gedaan hadden...".

Naast waar nu slager Rusticus is, was vroeger een elektriciteitswinkeltje met een etalage waar een korte vensterbank voor zat. In onze doldriestheid gingen we op het smalle richeltje zitten en het hele raam stuk! De politie dacht dat Juul het gedaan had, hij kreeg de klappen. We moesten op het politiebureau komen. We kregen geen boete, maar moesten wel het raam terugbetalen: f 21,-"

In de kruidenierswinkel van vrouw Hamstra, waar nu de speelgoedwinkel is, kochten we snoepgoed. We hadden een mondharmonica bij ons en zongen er liedjes bij. Toen we ons een keer wat te ver over de toonbank bogen viel de mooie Berkel weegschaal op de grond. We deden er weken over om hem terug te betalen. Minne Bosma: "Ik ging in Leeuwarden naar school en at mijn boterhammen in het Rengerspark op; weken lang kocht ik geen drinken om zo het geld uit te sparen". De jongens deden nog wel meer. Zo gooiden ze eens een sneeuwbal door het raam bij kapper Spiekman (op de plek waar nu het parkeerhaventje is bij het Trefpunt). Jammer genoeg kwam de sneeuw precies in een kinderwagen terecht...

Het verhaal van Harm Toeju

Op de opslag (aan de haven) was een noodslachtplaats. Harm Tamminga haalde daar altijd zijn afvalvlees vandaan voor zijn drie honden. Hij had namelijk een hondenkar: een hond onder de kar en twee ervoor. Hij reed ermee naar Groningen en Leeuwarden; hij was handelaar in kippen en konijnen. "Toeju, toeju", hoorde je hem altijd roepen. Daarom heette hij 'Harm Toeju'. Harm werd begraven op Augsbuurt. Toen de lijkkoets hem daarheen bracht, sloegen de paarden op hol. Dit was de laatste keer dat de lijkkoets reed.

Een anekdote over Reid Heidbuurt

Veel oud-Buitenposters kunnen zich Reid Heidbuurt herinneren. Samen met zijn broer Klaas woonde hij aan de Stationsstraat in een winkel annex woonpand. Hun voornaamste nering bestond uit overalls en snoepgoed. Met name Reid stond bekend om zijn ongewone manier van doen. Hier volgt een voorbeeld.

Politieman Oppedijk gaf onder andere in de jaren ’60 op goede wijze vorm aan het gezag in Buitenpost. Zijn wil was wet. Dat was altijd duidelijk en niet voor tweeŽrlei uitleg vatbaar. Men wist dat en hield er daarom rekening mee. En je kon met Oppedijk afspraken maken.

Een begrafenisstoet bewoog zich via de Voorstraat naar de begraafplaats aan de Kuipersweg. Oppedijk stond op de Bakkershoeke het verkeer te regelen om de stoet de gelegenheid te geven veilig rechtsaf te slaan de Kuipersweg op. De begrafenisondernemer maakte van de gelegenheid gebruik om tegen Oppedijk te zeggen: “Moarn om deselde tiid wer ien, hear!” Oppedijk knikte dat hij het begrepen had. Zo werd dat in die tijd geregeld en dat was wel even iets anders dan het hedendaagse getwitter.

Toch was er af en toe wel eens een Buitenposter die dacht met de politie een loopje te kunnen nemen. Zo ook Reid Heidbuurt. Reid had, zoals velen bekend zal zijn, zijn eigen vrije stijl van fietsen. Dat was niet altijd ongevaarlijk. Voor hemzelf niet, maar ook voor de overige verkeersdeelnemers niet. Als Reid daar op aangesproken werd dan was zijn stereotiepe reactie dat hij gedwongen werd zo te fietsen, omdat de duivel hem constant op de hielen zat of bij hem achter op de bagagedrager had plaatsgenomen. Hij zou en moest dit kwaad zien kwijt te raken door vlak voor een rijdende auto langs te fietsen met de bedoeling en in de hoop dat de duivel op fatale wijze onder de auto zou komen.

Zo ook op een donkere avond. Reid schoot vliegensvlug vanaf de Kuipersweg, vlak voor een aanstormende vrachtwagen langs, de Stationsstraat op. Dat werd waargenomen door politieman Oppedijk en die hield Reid vlakbij zijn winkelwoonhuis staande. “Sa’t jo de Foarstrjitte oerstutsen is yn it foarste plak libbensgefaarlik”, zo sprak Oppedijk Reid vermanend toe, “en yn it twadde plak ride jo ek noch sŻnder ljocht wÍrtroch it gefaar noch grutter wurdt. Jo witte hiel goed, dat, as it tsjuster is en it ljocht fan jo fyts wol net br‚ne, dat jo dan rinne moatte”. Waarop Reid zei: “Dat haw ik al dien, Oppediek, mar doe br‚ne it et net…”.