Het gebruik van sterke drank kent al een heel lange historie. Hier besteden we aandacht aan drankgewoonten van vroeger, de ellende die hieruit voortkwam en de drankbestrijding. Vooral de situatie in de 19e eeuw komt aan de orde. Verder zal melding worden gemaakt van de personen die op 1 november 1881 in ons dorp een tapvergunning hadden en de maatregelen van de overheid om het misbruik van sterke drank tegen te gaan.

Bij allerlei gelegenheden kwam er vroeger sterke drank aan te pas. Het begon al bij de geboorte van een nieuwe wereldburger, waarbij de blijde gebeurtenis werd beklonken en bedronken. Op de kraamvisites ging de 'brandewynskop mei boerenjongens' bij de vrouwen rond. De aanwezige jeugd werd bij een dergelijke gelegenheid ook met deze traktatie in kennis gebracht. De kleinsten die mochten komen te 'popbesjen' kregen een 'sūkerbak' (beschuit met suiker). Voor de mannen kwam dan jenever of brandewijn op tafel. De benamingen hiervoor waren: 'kleare', 'klearebare', 'skjinne', 'skjinne mei sūker' oftewel een 'bittertsje'.

Niet alleen bij hoogtijdagen werd sterke drank gebruikt. Bij gewone visites kwam dit in bepaalde kringen ook al voor. Er waren veel ongezochte gelegenheden om de drankfles tevoorschijn te halen. Het waren vaak eeuwenoude tradities, waaraan men zich moeilijk kon onttrekken. Op boerderijen gaf de hooi- en graanoogst zelfs de aanleiding om elke dag naar de fles te grijpen. In andere bedrijfstakken was het niet anders gesteld. Wanneer op zaterdagavond het loon werd uitbetaald, gaven veel werkgevers een 'romervol'als toegift. In het rekeningboek van de kerkvoogdij van de Hervormde gemeente in ons dorp kan men nu nog lezen dat bij de bouw van een nieuwe pastorie in 1727, jenever voor de arbeiders werd gekocht. Dit hoorde destijds dus tot de normale fatsoensnormen.

regtszaken Leeuwarden dronkenschapTriest genoeg werden veel werknemers slachtoffer van deze slechte gewoonten. Het geregeld gebruik leidde tot gewoonte en voor een aantal zwakke broeders een rampzalig einde. Toch had men zeker oog voor de gevolgen van overmatig gebruik. In 1822 waren er al gemeenten in Friesland met het verbod van het tappen van sterke drank na 10.00 uur 's avonds. Kerkenraden hadden in die dagen ook al met dit probleem te maken. In een notulenboek werd toen de volgende zin geschreven: "de kerkeraad betuigt haar hartelijk leedwezen dat de verwoestende drankzucht bij zo menigeen wordt ingevolgd, niettegenstaande de rampzalige gevolgen".

Tapperijen in Achtkarspelen

In het gemeenteverslag avn 1860 kunnen we lezen dat Achtkarspelen destijds 123 adressen telde waar sterke drank werd verkocht. Er was voor de verkoop nog geen vergunning nodig, maar wel moest een patentrecht van f 20,- per jaar aan de gemeente worden betaald. Bleef men in gebreke om dit bedrag te voldoen, dan volgde onherroepelijk een verbod om te tappen. Er waren maar weinig personen die alleen van de drankverkoop konden rondkomen. Zeker een kwart had een winkel, waar naast drank allerlei andere artikelen werden verkocht. Verder kwamen diverse andere beroepen onder de tappers voor. Voorbeelden hiervan waren: verwer, kuiper, schuitemaker en landbouwer.

De eerste Drankwet

In de loop van de 19e eeuw was men overtuigd geraakt van de noodzaak om het toenemend drankgebruik te beperken. Men wilde een wettelijke regeling. Uiteindelijk trad per 1 november 1881 een Drankwet in werking, houdende wettelijke bepalingen tot regeling van de kleinhandel in sterke drank en tot beteugeling van de openbare dronkenschap. Ieder die sterke drank wilde verkopen moest nu een vergunning aanvragen. Na 1 november 1881 bleek dat het aantal bleek dat het aantal vergunninghouders in Achtkarspelen was teruggelopen tot 78. Het gemeentebestuur van Kollumerland gaf in deze krant in meerdere afleveringen uitvoerige voorlichting over de nieuwe wet aan de ingezetenen. Om u een indruk te geven van de achtergronden en de situatie van die tijd, volgt hierna het begin van een voorlichtingsartikel: "Sedert meer dan een halve eeuw zijn hier te lande stemmen opgegaan tegen het toenemend drankgebruik. Over de wenschelijkheid om dat gebruik te beperken, om de openbare dronkenschap tegen te gaan, was men het spoedig eens; doch ten opzichte der middelen om het kwaad uit te roeien, liepen de meeningen te zeer uiteen. Terwijl van den eenen kant werd aangedrongen op het nemen van wettelijke maatregelen, zooals al sedert jaren in andere staten van Europa en Amerika bestonden, meende men aan den anderen kant, dat alleen van godsdienst en onderwijs in dezen heil te verwachten was. Doch hoezeer godsdienst en wetenschap de verderfelijke gevolgen van den alcohol in 't licht stelden, hoezeer afschaffings- en matigheidsgenootschappen tegen den vijand van 't volksgeluk in 't strijdperk traden, het drankgebruik nam toe, de openbare dronkenschap werd steeds erger. Toen werd van vele zijden bij de regeering aangedrongen op het indienen van eene wet, om de woekerplant het verder doordringen te beletten. En thans, na veel geschrijf en gepraat, na tal van discussiėn en beschouwingen, is die wet tot stand gekomen en betaamt het voor- en tegenstanders haar te eerbiedigen". Verder kende de wet een zogenaamd uitsterfsysteem. Bij overlijden en verhuizing verviel de vergunning. In andere gevallen mocht de vergunning worden verkocht en ging dan gelden voor een ander pand. Een volledige vergunning was veel geld waard.

De arbeidersbeweging

Domela Nieuwenhuis De drankellende was gedurende de 19e eeuw in alle lagen van de bevolking toegenomen. Het gevolg hiervan was dat er geheelonthoudersverenigingen ontstonden die de totale onthouding van alcoholhoudende drank propageerden. Het opkomend socialisme in die tijd begon dit drankkwaad te bestrijden. In het 'Friesch Volksblad' verschenen regelmatig artikelen van O. Stellingwerf, die voorstander was van gehele onthouding. Bekend is nog steeds de spreuk van de bekende socialistische voorman Ferdinand Domela Nieuwenhuis (foto rechts): "Drinkende arbeiders denken niet, denkende arbeiders drinken niet".

In 1935 telde de Nederlandse Vereniging tot afschaffing van alcoholhoudende dranken in Nederland 19000 leden, waarvan 8000 in Friesland. Deze provincie telde dan ook verweg de meeste plaatselijke afdelingen, die in veel gevallen een zang- of toneelclub hadden. Op cultureel gebied waren deze verenigingen in verschillende plaatsen van groot belang. De uitvoeringen trokken veel volk. De 'Blauwe Vaan', hoewel een landelijk blad, werd in Friesland veel gelezen. Behalve bovengenoemde vereniging, waren er nog verschillende andere organisaties die hetzelfde doel nastreefden. Er was ook een Nederlandse Christelijke Geheelonthouders Vereniging actief. Verder was er nog een Jeugdbond voor Onthouding, voortgezet in de Vrije Jeugdbeweging. De Friese Propaganda Commissie organiseerde de zogenaamde Blauwe Weken. Eén van de activiteiten (onder andere in de jaren vijftig van deze eeuw), was het ophangen van spandoeken boven de straten. In vrijzinnige kringen leefde de beweging het sterkst. In de loop der jaren liep het aantal leden van de geheelonthoudersverenigingen langzaam terug. In deze tijd is het de Algemene Nederlands Drankbestrijdings Organisatie (ANDO), die in Friesland nog acties houdt. Helaas zijn deze activiteiten nog steeds een bittere noodzaak.