Over de weg

Naar wordt aangenomen stamt een belangrijk gedeelte van het wegensysteem in de Friese Wouden uit de Prehistorie. Uit die tijd dateren verbindingen die vanaf de Drentse zandgronden via Ooststellingwerf door de omgeving van Drachten naar het noorden, en via de omgeving van Heerenveen naar Gaasterland liepen. De meeste wegenstelsels waren eeuwen achtereen alleen van belang voor de plaatselijke situatie. Om de ontwikkeling van de handel te verbeteren werd het geleidelijk aan nodig om de verschillende hoofdroutes en kleinere wegen met elkaar te verbinden.

het straatbeeld rond 1900

Het gewone beeld van de Voorstraat rond 1900 met vier vormen van transport die allang zijn verdwenen. Van links af de paard en wagen, de handkar, de hondekar en de koets of diligence. De laatste staat voor de wagensmederij van Melle Smedes.

De meeste van die wegen waren lange tijd voor onze begrippen zondermeer slecht. Meestal waren ze in de herfst en winter voor de reizigers die te voet of te paard gingen, moeilijk of niet begaanbaar door de modder. Omstreeks 1600 liepen er enkele rijwegen door het gebied van de Wouden. Via Leeuwarden liep zo'n weg oostwaarts, via Hurdegaryp, de Zomerweg (tussen het huidige Bergum en Noordbergum), de Harstawei bij Jistrum naar Twijzel en zo verder langs Buitenpost. De kwaliteit van de meeste wegen bleef tot zeker ongeveer 1800 beroerd. De situatie verbeterde daarna langzamerhand omdat er begonnen werd met de aanleg van de eerste straatwegen. Dit waren wegen met klinkerbestrating op een zandbaan. Het voordeel ervan was duidelijk: afgezien van extreme situaties waren ze het hele jaar bruikbaar. Later kwamen er ook grintwegen bij, een zandbedding met daarop een uit grint en warme teer gevormd wegdek. Na de Tweede Wereldoorlog zijn ook betonplaten op openbare wegen als wegbedekking gebruikt, zoals 'de betonwei' onder Drogeham. Het omstreeks 1900 uitgevonden asfalt werd niet eerder dan in 1960 in onze contreien gebruikt.

Soorten wegen

De eerste kaarten van de Friese wouden die ook in detail de wegen laten zien, zijn van omstreeks 1700. Daaruit blijkt duidelijk dat er al een grote verscheidenheid aan wegen was. Er waren rijwegen (voor het rijdende doorgaande verkeer), hooiwegen (bedoeld voor het vervoer van hooi van de landen), zandwegen, lanen (met bomen aan weerszijden van de weg), wegen zonder meer en lijkwegen.

Ontstaan openbaar vervoer

De spoorwegverbinding tussen Leeuwarden en Groningen was niet de eerste directe vervoersverbinding. Voordat de eerste trein in 1866 tussen beide steden ging rijden was er een verbinding per postkoets op dit traject. Al in 1733 stelde het stadsbestuur van Groningen, richtlijnen en tarieven vast voor de 'Post Wagen varende van hier op Leeuwarden vica versa'. De ritprijs voor deze afstand was vastgesteld op 30 stuivers per persoon. Verder was bepaald dat de postkoetsen van Groningen met die van Leeuwarden in Buitenpost moesten wisselen. Buitenpost fungeerde dus als wissel- en pleisterplaats. Dit gebeurde in herberg De Roskam op de hoek van de Voorstraat en Stationsstraat. In de 18e en 19e eeuw waren er in ons land verschillende postkoetsroutes. Het vervoer kwam pas werkelijk van de grond toen de wegen sterk werden verbeterd. Dit was vooral aan Napoleon te danken die ook buiten Frankrijk vele staatswegen liet aanleggen om zijn legers snel te kunnen verplaatsen. De handel en het openbaar vervoer profiteerden hier uiteraard ook van. Met de veiligheid was het vooral in de 18e eeuw nog slecht gesteld. In ons land was vooral het traject tussen Amersfoort en Amsterdam berucht om de vele postkoetsovervallen. Ook daarin brachten de Fransen verbetering. Generaal Radet organiseerde een nationaal politiekorps dat met de bewaking langs de wegen was belast. Na de Franse tijd werd deze in ons land omgevormd in het korps Marechaussee. Ook bij de herbergen stond vaak een speciale postiljon of agent van politie op wacht. Dit was niet zozeer om de rustende reizigers te beschermen, maar om te voorkomen dat onbevoegden bij de postzendingen zouden kunnen komen.

Het reizen per koets

een diligence Het reizen met door paarden getrokken postkoetsen, dat vele eeuwen de gewoonte was, was overigens bepaald geen pretje. Reizigers werden voortdurend door elkaar gerammeld. Lange reizen waren vaak een beproeving. Tussen 1700 en 1800 kwam daarin wel enige verbetering omdat de vering van de wagens een ontwikkeling doormaakte. De verbeterde koetsen die hiermee uitgerust werden kregen de naam diligence (afbeelding). Tussen 1800 en 1900 ging het openbaar vervoer nog hoofzakelijk met paard en wagen, diligences en omnibussen en de boot. Een omnibus was een in die tijd nog door paarden getrokken voertuig, dat veel passagiers kon vervoeren. Mensen met geld hadden meestal een eigen rijtuig. Er liep ook een vaste route van een geregelde diligence door onze streken. Deze liep van Leeuwarden naar Groningen door Tietjerksteradeel en Achtkarspelen en voerde ook door Buitenpost, waar De Roskam een rustplaats voor reizigers en wisselplaats voor paarden was. Hierlangs gingen twee diligencediensten: één van Sneek naar Leeuwarden en dan Groningen en terug, en daarnaast die van Harlingen naar Groningen en terug. Voor die tijd liep de route langs de Zomerweg en de tussen de Kuikhornstervaart en Twijzel gelegen Harstaweg.

advertentie diligence 1847

Rond 1905 werden de paarden van de omnibussen vervangen door motoren. De gemotoriseerde omnibus kreeg de naam van autobus en zowat elk dorp van enige betekenis kreeg al snel een eigen autobusonderneming. In ons dorp werd Legro-express (Leeuwarden-Groningen) een bekende naam. De plaatselijke ondernemingen gingen op een gegeven moment fuseren en er ontstonden grotere regionale bedrijven. Boven de lijn Leeuwarden-Veenwouden-Buitenpost was in de Noordoosthoek van Friesland de NV Noordoost Friesland (NOF) actief. In 1971 fuseerden de NOF en de Friese autobusdiensten Noordelijke Transport Onderneming en Leeuwarder Autobus Onderneming tot de FRAM (Friese Autobus Maatschappij), later kwamen daar andere friese bedrijven bij. In 1996 is de FRAM met enkele vervoersmaatschappijen uit Drenthe, de Noordoostpolder en Overijssel samengegaan in de Vervoersonderneming Noord-Nederland (VEONN). In 1999 werd de VEONN overgenomen door Arriva, een Brits vervoersbedrijf.

Tol

De reiziger in vroeger tijden kon ook met grote regelmaat een tolhuis tegenkomen. Tolheffing was lang een ordinaire belastingmaatregel van machthebbers, meestal zonder enige tegenprestatie. Later met het ontstaan van geordend bestuur, werd tol geheven om daarmee de aanleg of het onderhoud van de wegen te kunnen betalen. De meeste tollen waren in handen van de overheid, maar er waren ook particuliere tollen. De oudste tolhekken met de daarbij behorende tolhuizen (waar de tolgaarder woonde) dateren waarschijnlijk uit de tijd na 1600, toen de trekschuit in gebruik werd genomen. Maar het verschijnsel breidde zich uit naar de andere wegen. Tussen 1800 en 1900 lag het friese land bij wijze van spreken bezaaid met tolhekken. Zo was er in onze omgeving een tolhuis aan de Stroobosser Trekweg ten noorden van Wouterswoude, tussen Kollum en Buitenpost aan de Trekvaart en bij Gerkesklooster aan het begin van de Trekweg. Volgens de archieven had Achtkarspelen in 1859 drie tolhuizen en - hekken, niet eens zo gek veel in vergelijking met sommige andere gemeenten. In de loop der jaren werd duidelijk dat tolheffing niet langer paste in het moderne vervoer. Vooral met de komst van het gemotoriseerde vervoer was het gedaan met dit onprettige oponthoud.

De trekhond

Lange tijd is de trekhond ook in onze streek een bekende verschijning geweest. De hond is één van de langst gedomesticeerde diere en er is waarschijnlijk sinds mensenheugnis in de Wouden al gebruik gemaakt van trekhonden. Daarbij moet vooral worden gedacht aan het vervoer van levensmiddelen en huishoudelijke artikelen die op korte afstand hun weg naar de klant vonden. Het massale gebruik van trekhonden dateert waarschijnlijk pas van na 1800 en tot zo'n beetje 1920-1930 kwamen ze tamelijk veel in het straatbeeld voor. In Amsterdam werd het gebruik van trekhonden al voor 1800 uitgebannen, maar elders werd het lang toegestaan. In 1910 kwamen er de Trekhondenwet die regels aan het gebruik van honden stelde. In 1954 werd het gebruik van honden in heel Nederland verboden.

Over water

model van een trekschuit De oude riviertjes in de Wouden waren maar beperkt bevaarbaar. In de benedenloop was het meestal nog wel te doen, maar hogerop was vaak een probleem. Een belangrijke verandering in het vaarverkeer kwam er door het graven van veenkanalen, die in de loop der jaren in het Friese gebied tientallen kilometers lang werden. Het graven van die vaarten kwam vooral in de zestiende eeuw op gang nadat de afgraving van hoogveen steeds meer toenam. Toen ook de kanalen werden gegraven werd vervoer en transport via het water steeds populairder. Men verkoos het watervervoer tot de tweede helft van de 19e eeuw meestal boven de weg omdat er tussen alle plaatsen van enig belang in het hele land betrouwbare dienstregelingen waren. Het reizen per schip was bovendien een stuk prettiger dan het gestuiter over de slechte wegen, het was ook nog eens veiliger en er kon meer mee vervoerd worden. In de 17e eeuw kwam de trekschuit (foto boven van een model), in Friesland ook wel 'snikke' genoemd, in gebruik. Er waren ook trekschuitdiensten van Dokkum naar Kollum en terug, maar niet op zondag. Er is ook een dienst met een beurtschip van Lemmer naar Groningen geweest. Deze ging via Grou naar Burgum en zo langs Blauwverlaat weer verder.

Lijkwegen en de Kerkstraat

In de opsomming van soorten wegen kwamen we ook de lijkweg tegen. Deze had een bijzondere functie en dat was het vervoer van de doden naar het kerkhof. Veel doodwegen of dodenwegen zijn verdwenen, maar namen die kunnen wijzen op doodwegen zijn: lijkweg, lichtweg, leyweg, geestweg, geestesweg, kerkepad, kerkelaan, en soortgelijke benamingen. Het is mogelijk dat onze Kerkstraat (in het verleden had het ook de naam Kerkelaan) haar ontstaan daar heeft gevonden. Doodwegen liepen in een rechte lijn letterlijk dood bij oude kerken en kerkhoven. In de middeleeuwen was het in de Lage Landen wettelijk verplicht om een dode in een rechte lijn naar zijn laatste rustplaats te dragen.