Zeventig jaren na het beëindigen van de tweede WO kan men zich afvragen of er nog wel iets te publiceren valt over deze diep ingrijpende periode. Vele duizenden boeken zijn er immers in deze periode verschenen op internationaal-, nationaal- en regionaal niveau. Over alle mogelijke onderwerpen is geschreven, alleen al over Hitler honderden titels. Men kan te kust en te keur gaan. En dan toch verschijnen ieder jaar weer nieuwe titels. ”De honger naar meer informatie over dit onderwerp lijkt niet te stillen”, aldus John S.D. Eisenhower, zoon van de bekende Amerikaanse generaal en latere president Dwight D. Eisenhower. Nog steeds wordt er iets gevonden, zoals geheime stukken die openbaar komen, voorwerpen, mondelinge overleveringen, die langzamerhand vervloeien in geruchten. Flarden van verhalen, waarvan de samenhang van het geheel verloren is gegaan. Velen die de situatie persoonlijk hebben meegemaakt hebben er na de oorlog nooit meer over gesproken. Daardoor zijn veel gebeurtenissen mee het graf in gegaan. Ook het verzet in Achtkarspelen had onderling afgesproken dat zij niet meer over de gebeurtenissen zouden spreken. ”Die tijd is definitief afgelopen, niet meer achteromkijken, maar naar voren zien, de toekomst tegemoet”, aldus Trouw. Een aantal heeft echter jaren later nog wel eens iets los gelaten. En een vondst geeft op haar beurt ook weer een aanleiding tot nadere studie en een eventuele aanvulling van de geschiedenis. Het kan het beeld van wat de ‘gewone man/vrouw’ in deze benarde jaren heeft meegemaakt aan zorg en spanning nader illustreren. Zo laat een vondst uit de Tweede Wereldoorlog in Buitenpost ons zien wat er achter haar schuilging. Een verhaal wat zelfs bij de naaste familie geheel onbekend was.
Dit is een verhaal van Jasper Keizer.

huis julianalaan 32 In 1999 kocht de familie M. Zijlstra de woning op nr. 32 aan de Julianalaan (foto links). Het pand dateert uit de jaren dertig en verkeerde nog in de originele staat. Zij moderniseerden de woning en alles werd opnieuw geverfd. Daarbij ontdekten ze in een ingebouwde kast een luik in de vloer. Direct werd hun nieuwsgierigheid gewekt. Het bleek dat zich daaronder een ruimte bevond, kennelijk een schuilplaats voor onderduikers. Bij nader onderzoek kwam er een persoonsbewijs uit de oorlog tevoorschijn (foto onder). Het bleek van een zekere Maria Petronella Wachtendonk te zijn, geboren op 26 november 1915 te Nijmegen. Het persoonsbewijs was haar verstrekt in Leek op 15 september 1944 en was haar tweede exemplaar. De eerste vraag was, is dit misschien een Jodin geweest. Zo niet, was het dan verzetsstrijdster, bijvoorbeeld een koerierster. Niets van dit alles, nader onderzoek wees uit dat zij een gewone huisvrouw was. Maar wat moest dan een onschuldige huisvrouw in een schuilplaats voor onderduikers? En waarom een tweede persoonsbewijs, terwijl veel later haar eerste weer gebruikt werd?

Het onderzoek naar dit persoonsbewijs leerde ons twee mensen kennen, die kenmerkend waren voor hun generatie. Een generatie waarvan “een gedeelte uit hun leven was uitgesneden door de bezetter”, vertelde iemand. Hij bedoelde daarmee de onbezorgde periode van hun jeugdjaren. Juist die tijd zaten de mannen in de ‘gevaarlijke leeftijd’. Ze moesten naar Duitsland, of waren krijgsgevangenen. Ze doken onder. De avondklok verbood een ieder om ’s avonds vanaf 19.00 uur, later vanaf 20.00 uur, nog buiten te zijn. Een onbekommerd er op uitgaan was onmogelijk. Arrestaties dreigden overal. Dus thuis zitten zonder de minste afleiding, geen televisie, radio, meestal geen krant, geen licht en vroeg naar bed. Velen moesten onderduiken. Deze ‘oorlogsgeneratie’ verkeerde in een situatie waarvan men zich momenteel geen voorstelling kan maken. Maar ondanks dit alles ontplooide zich ook in een dergelijke situatie de romantiek van de liefde.

het persoonsbewijs van Maria Wachtendonk

Maria Petronella Wachtendonk (26-09-1915 – 31-10-2000)

maria wachtendonk Wie was deze Maria? We hebben reeds gezien dat Maria in Nijmegen was geboren. Toen haar vader een baan kreeg bij de Nederlandse Spoorwegen, de NS in Rotterdam, verhuisde het gezin naar deze stad. Maria vond hier een baan bij de tapijtfabriek, waarvan de eigenaar eveneens een fabriek in Moordrecht bezat. Door een fusie met Deventer werden daar onder andere de bekende handgeknoopte Smyrna tapijten geproduceerd. De firma, met ook buitenlandse vestigingen, genoot internationaal een goede bekendheid. In augustus 1939 kampeerde zij met enkele vriendinnen op een camping te Beekbergen. Daar ontmoette zij de 7e augustus Romke Stel uit Buitenpost. Kennelijk was ook Romke met enkele vrienden op de camping. De vonk sloeg meteen over. Er werd een afspraak gemaakt en er volgden meer. Er ontstond een relatie, die blijvend werd, ondanks de grote afstand tussen Rotterdam en Buitenpost en de moeilijkheden die nog zouden komen. Nog die zelfde maand werd het jonge stel met de eerste zorgen geconfronteerd van het naderend onheil van de Tweede Wereldoorlog. Op 24 augustus 1939 was het voormobilisatie. Vier dagen later werd de algemene mobilisatie afgekondigd. Romke was op dat moment in militaire dienst. Dit betekende dus spannende tijden.

Maria en Romke moesten afscheid van elkaar nemen, zonder te weten wanneer ze elkaar weer zouden terug zien. Dan breekt een periode aan, waarover weinig bekend is. De verlofdagen tijdens de mobilisatie zullen ze elkaar zeker hebben opgezocht. Romke zijn bestemming was Haarlem, dus de afstand naar Rotterdam was aanmerkelijk korter dan naar Buitenpost. Hun relatie werd steeds hechter in een tijdsbestek van spanning en zorg. Immers een dreigend onheil hing er boven ons land. En de nadere kennismaking bracht ook nog eens twee verschillende godsdiensten aan het licht, destijds een bijna onoverkomelijke hindernis. Maria bleek lid te zijn van de Rooms-Katholieke kerk en Romke was Gereformeerd. Maria’s ouders waren niet gecharmeerd over de keuze van hun dochter. En vooral niet toen bleek dat zij zou overgaan naar de Gereformeerde kerk. Maar de bezoeken aan Rotterdam brachten toch een mildere stemming. Romke bleek een rustige, degelijke en principiële jongen te zijn. Omgekeerd werd Maria gastvrij in Buitenpost ontvangen. Zij was een vrolijke, hartelijke, fijngevoelige en behulpzame vrouw. En zo werden ze ook later bij de wederzijdse families ontvangen. Deze kennismakingsbezoeken vonden plaats tijdens de acht maanden durende mobilisatie, overschaduwd door dreigende onweerswolken van naderend onheil.

De bom barstte letterlijk in de vroege morgen van 10 mei 1940. Omstreeks 04.00 uur ronkten twee Duitse bommenwerpers over de stad en lieten hun dodelijke lading vallen op het vliegveld Waalhaven bij Rotterdam. Om 05.15 uur volgde een nieuwe aanval. De inwoners van de stad werden op een hardhandige wijze geconfronteerd met de realiteit van oorlog. En toen op 14 mei het bombardement op de stad begon, steeg de angst en wanhoop ten top. Vertwijfeld vroegen de inwoners zich af waar ze heen moesten en zou hun huis ook worden getroffen. De alles overheersende vraag, wat gebeurt er met onze familie, bekenden, geliefden. Ook de familie Wachtendonk stond voor deze vragen. Maria wist dat de mobilisatiebestemming van Romke in de vesting Holland lag. Zouden ze elkaar weer levend terug zien? De rust in huize Wachtendonk keerde enigszins terug toen bleek dat het bombardement beperkt bleef tot het centrum van de stad. De Strijensestraat lag te ver verwijderd. Maar de impact was groot, evenals de angst voor Romke. Wat zou er met hem zijn gebeurd in deze angstige dagen?

Romke Stel (21-1-1918 – 22-2-1985)

romke stel Komend vanuit de richting Twijzel, rijdend via de Voorstraat slaat men tegenover de supermarkt van Poiesz rechtsaf de Kerkstraat in. Direct aan de rechterkant ligt een parkeerplaats. Eertijds stonden hier twee woningen, de no.’s 2 en 4. In nummer 4 woonde het gezin van Sytze Tjeerd Stel en Uilkje Hidzers Hiemstra met nog drie van hun acht kinderen, te weten Klaske, Marten en Romke. Sytze was tot 1935 conciërge geweest in het thans gesloopte bijgebouw van het gemeentehuis Nijenstein, waarin de marechausseebrigade was gehuisvest. Daarnaast was hij verzekeringsagent. Romke was als automonteur werkzaam bij garage Dijkema, thans de Poiesz supermarkt. Op 10 oktober 1938 moest Romke opkomen in militaire dienst. Hij werd ingedeeld bij het Korps Motordienst, waarschijnlijk dank zij zijn beroep als automonteur. Met ingang van 15 juli 1939 werd hij bevorderd tot korporaal. Op 7 augustus 1939 was hij kennelijk op de Veluwe. Die datum trof hij daar Maria Wachtendonk op de camping bij Beekbergen. Het klikte direct en er volgden meer afspraken. Het resulteerde in een relatie, die blijvend werd. Geen wonder volgens de beide wederzijdse families: "ze pasten bijzonder goed bij elkaar". Het zou een relatie worden die bleef, ondanks de spanningen die zouden volgen.

En de eerste onrust kwam reeds enkele weken later, toen op 28 augustus 1939 de mobilisatie werd afgekondigd. Dit bracht grote spanning teweeg. Romke werd ingedeeld bij het 1e Peloton Motor Ordonnansen, onderdeel van het Korps Motordienst, gevestigd in Haarlem. Dit korps zorgde voor het vooroorlogse militair vervoer van alle landmacht eenheden. En toen op 10 mei 1940 Duitsland ons land binnen viel, zullen beiden zich terdege bewust zijn geweest van de gevaren die Romke liep. Maakte Maria het bombardement op Rotterdam mee, ook Romke zat in de directe nabijheid van het oorlogsgeweld. De vesting Holland was het eerste doel van de nazi’s. Hier lagen ook de vijf vliegvelden, Schiphol, Ypenburg, Ockenburg, Valkenburg en Waalhaven, die uitgeschakeld moesten worden. Er ontstonden felle gevechten, waarin de Nederlanders zich met hun gebrekkige bewapening geducht weerden. Hier en daar werd de vijand zelfs tijdelijk teruggedreven. Deze vorderde daardoor maar langzaam en leed zware verliezen. In de vier oorlogsdagen werden 1600 para’s gevangen genomen, waarvan 1200 als krijgsgevangenen naar Engeland konden worden verscheept. Hun luchtmacht verloor 430 toestellen. Hitler was woedend en dwong met het bombardement op Rotterdam het Nederlandse leger tot overgave.

Het alles vernietigende oorlogsgeweld, dat beiden zo van nabij meemaakten, overschaduwde het prille geluk van het jonge paar. Op 26 mei 1940 werd Romke groot verlof verleend. Maria raakte na het bombardement haar werk in de textielfabriek in Rotterdam kwijt. De fabriek werd getroffen bij het bombardement. Een jaar bleef het stil rond het paar. Er werd met geen woord over deze periode gesproken, noch met de kinderen, noch met de familie.

Bange jaren met duistere momenten

Beangstigende situaties zouden beiden de komende vijf jaren meer mee maken. Ze hebben er weinig of niets over verteld. Het zijn de duistere momenten in hun belevenissen. Soms komen vage contouren tevoorschijn, die we kunnen koppelen aan landelijke- of regionale gebeurtenissen. Daardoor ontstaat toch een chronologische volgorde in de tijd. Een gang door de jaren, waarvan moeder Maria later aan haar kinderen vertelde, dat ze herhaaldelijk van woonplaats moesten veranderen, zodat ze vader niet konden arresteren. Zo was vader uit een gevangenkamp ontsnapt en later nog eens uit een school ontkomen. Ook zat hij ergens negen maanden ondergedoken.

Toen de rust weer enigszins teruggekeerd was, werd de fabricage van de Rotterdammer tapijtfabriek overgeheveld naar Moordrecht, waar de eigenaar eveneens een fabriek bezat. Maria kon weer aan de slag. In april 1941 kwam Romke weer tevoorschijn. Hij kwam naar Rotterdam, waar hij een maand bleef logeren bij de familie Wachtendonk in de Strijense Straat 89a. Hij was kennelijk van plan daar langer te blijven, want op 15 mei 1941 ging hij wonen in de Heer Janstraat 5. En in juli ging ook Maria uit de ouderlijke woning en vond een onderkomen in de Walcherse straat. Al ligt Moordrecht niet zo ver van Rotterdam, in die tijd was het reizen zo eenvoudig niet als tegenwoordig. Op 8 december 1941 verhuisde ze naar Moordrecht, waar ze ging inwonen bij boekhouder M. van den Broek, Westeinde H108d. Hier werkte ze als cheffin bij de tapijtknoopsters en weverij. Blijkbaar was daar nog wel ruimte, want in april 1942 vertrok ook Romke naar dit adres. Toen dit huis door de bezetter werd gevorderd, verhuisden ze in september van dat zelfde jaar naar nummer H108c, waar de familie J. van Rijswijk woonde. Beide woningen waren een gedeelte van een groot pand vlak bij de tapijtfabriek. Hier verbleven ze slechts 19 dagen, toen ze opnieuw binnen Moordrecht verhuisden. Ze moesten de woning verlaten omdat de bezetter ook dit huis vorderde. Ze kwamen nu inwonen bij de familie D. Slobbe in de Eestraat 7. Het beviel hen hier kennelijk heel goed. Ze hadden weer meer ruimte en de verstandhouding met de familie was prima. Van hier uit trouwden ze in alle stilte op 22 november 1942. Niemand van de wederzijdse ouders, vrienden en bekenden waren hierbij aanwezig.
(foto onder: trouwfoto van Romke en Maria)

trouwfoto van romke stel en maria wachtendonk

Inmiddels kregen de Duitsers rond de jaarwisseling ‘42/’43 hun militaire tegenslagen te incasseren. Deze zouden nog hogere eisen stellen aan de Duitse oorlogsindustrie: steeds meer Duitse arbeiders moesten in militaire dienst. Op 29 april 1943 riep de Duitse generaal Christiansen alle ex-militairen op om zich te melden, waar onder dus ook Romke. Op 3 mei werden alle mannen van 18 tot 35 jaar opgeroepen zich te melden voor de Arbeitseinsatz. En ook hier viel Romke onder. Beide groepen zouden als dwangarbeiders in de Duitse oorlogsindustrie te werk gesteld worden. Er volgde een felle reactie, die bekend zou worden als ‘de april-mei staking’. Deze werd in bloed gemoord, in Buitenpost werd op 3 mei 1943 Sjouke Stel, een neef van Romke, dodelijk getroffen. De staking betekende een ommekeer, het georganiseerd verzet ontkiemde. Romke dacht er niet aan zich te melden. De druk nam nog meer toe, toen de bezetter op 4 augustus 1943 bepaalde dat mannen vanaf 16 jaar niet in de noordelijke provincies mochten verblijven, tenzij ze er een vaste woonplaats hadden. Al deze verordeningen zetten Romke en Maria aan het denken. Ze vonden het veiliger zich in Friesland te vestigen. Wat Romke in Rotterdam en Moordrecht heeft gedaan is niet bekend, het is één van de duistere momenten in hun leven.

In september 1943 vertrokken ze naar Buitenpost, Kerkstraat 4. Hier was Romke weer op bekend terrein en had hij wellicht zijn connecties om een onderduikadres te vinden. Het was beiden duidelijk dat hij in deze situatie moest onderduiken. Het was in deze periode waarin hij tweemaal werd gearresteerd en ook tweemaal weer wist te ontkomen. Dit had tot gevolg dat ook Maria gezocht werd om zo achter Romke zijn verblijfplaats te komen. Beiden hebben met geen woord over deze tijd gesproken, behalve dat ze veel van verblijfplaats moesten veranderen. Duistere momenten, waarin nogal wat gebeurde. Maar Romke en Maria hadden hun strategie bepaald. Beiden raakten zogenaamd hun persoonsbewijs kwijt. Romke was de eerste die 29 maart 1944 zijn 2e persoonsbewijs kreeg. In september 1944 bevond Maria zich enkele weken in Leek bij haar zwager Tjeerd Stel, die hier als veldwachter was gestationeerd. Deze zorgde ervoor dat zij op 15 september 1944 haar 2e persoonsbewijs kreeg. Beide 2e persoonsbewijzen waren vals. De voorgaande woonadressen te Rotterdam en Moordrecht stonden er niet meer op. De kolom 'gehuwd met' was niet ingevuld. Ze waren dus nu volgens dit papier ongehuwd en kenden elkaar niet. Van beiden was hun verleden uitgewist. Direct na de bevrijding gebruikten ze weer hun eerste persoonsbewijs. Hun tijdelijk woonadres te Burgum werd hierin weer onder de voorgaande adressen genoteerd. Romkes beide persoonsbewijzen zijn weggeraakt. Het eerste van Maria vonden de kinderen na haar overlijden in haar nalatenschap. Het tweede, valse, werd in 1999 in de Julianalaan gevonden.

persoonsbewijs van maria wachtendonk

Begin november was Maria weer in Buitenpost. Samen met Romke verbleven ze toen tijdelijk (als onderduikers?) bij slager Harm Jan Rusticus, Kerkstraat 8. De ouders van Romke waren bevriend met Rusticus en Maria en de vrouw van Harm Jan, Nantje Rusticus-de Jong, waren echte hartsvriendinnen geworden. De woning van de familie Stel was klein. Zoon Marten en dochter Klaske waren nog thuis. Er was gewoon geen ruimte voor Romke en Maria, die bovendien ook onderduikers waren. En bij de slager, die nog geen kinderen had, was ruimte. Op 7 november 1944 ’s morgens om 6.30 uur begon de bezetter Buitenpost geheel af te grendelen. Als een lopend vuurtje ging het bericht door het dorp dat er een razzia op komst was. Iedereen werd gewaarschuwd. Een aantal vluchtten door de velden naar de petgaten in de Mieden. Velen zochten hun schuilplaats op. Zo ook Harmen Jan Rusticus en Romke, die hun toevlucht zochten onder de vloer. Maria griste haar mantel van de kapstok, sloeg die over haar nachtkleding en vluchtte, in verwachting van haar eerste kind, naar de Julianalaan 32, waar ze zich verschool. Toen de kust weer veilig was, werd de balans opgemaakt. Twee personen waren dodelijk getroffen door de Duitsers, te weten Folkert Smit en Keimpe Kooistra. Ongeveer 80 mannen waren gearresteerd. Harm Jan en Romke werden niet gevonden. Ook Maria kon weer tevoorschijn komen, niet wetend dat ze haar persoonsbewijs hierbij kwijtraakte, dat 55 jaren later werd teruggevonden.

De laatste loodjes

De razzia was hard aangekomen in Buitenpost. Twee doden en ruim 80 mannen weggevoerd had een schok teweeg gebracht in de kleine gemeenschap. Ook voor Romke en Maria waren het hachelijke ogenblikken geweest. Maria, die in verwachting was van haar eerste kind, vertelde jaren later schertsend aan haar kinderen dat Sijtze als schooljongen zo snel kon lopen, te danken was aan deze vlucht voor de Duitsers. Hoe lang ze bij de familie Rusticus 'logeerden' is niet bekend. Maria zal niet opgevallen zijn in het dorp tussen de vele évacué’s, die hier destijds waren ondergebracht. Verscheidene dorpsgenoten hebben haar gekend als tante Rie of kortweg Rie. De situatie voor Romke was er niet beter op geworden. De laatste oorlogsmaanden had de bezetter steeds meer mannen nodig. Begin november 1944 moesten mannen van 18-50 jaar zich melden voor graafwerkzaamheden. Men kende Romke hier en dus was het oppassen. Temeer, omdat behalve de bezetter ook de Landwacht patrouilleerde. Romke verdween en was spoorloos tot aan de bevrijding. Maria kwam ‘noodgedwongen’ op 6 april weer tevoorschijn. Op die datum werd haar eerste kind Sijtze geboren ten huize van de familie Rusticus.

Bevrijd

In de middag van zondag 15 april 1945 verscheen op de viersprong midden in het dorp een Canadese verkenningseenheid, bestaande uit een viertal verkenningsvoertuigen. Ze werden met een luid gejuich begroet. Dit was het teken van de zo gehoopte bevrijding van de nazi’s. De opgejaagde onderduikers konden weer tevoorschijn komen, zo ook Romke en Maria. Per diezelfde dag, 15 april 1945, diende Romke officieel bij de Binnenlandse Strijdkrachten Gewest 1, Friesland, district Drachten. Onder dit district ressorteerde ook Achtkarspelen. Maria vertelde later aan haar kinderen dat zij toen nog in het kraambed lag, vader er naast zat en het geweer er bij lag. Hij bleef maar kort, genoeg om te zien dat alles goed was met moeder en baby. Hij bleef bij de N.B.S. tot 17 mei. De dag daarop was hij terug bij het Nederlands Depot personeel Transport. Een tekort aan ervaren bekwame automonteurs was waarschijnlijk hiervan de oorzaak. Maar Romke moest ondertussen ook woonruimte zoeken. De woningnood was groot. Bij slager Rusticus konden ze niet blijven. De gezondheid van Romkes ouders was niet acceptabel om met hun gezin bij hen te gaan inwonen. Bovendien was de woning daarvoor ook te klein. Hij vond in Burgum een tijdelijke woonruimte per 11 juli 1945. Een maand later, 9 augustus overleed moeder Uilkje. Op 1 september 1945 ging Romke voor de 2e maal met groot verlof. Maar dit duurde niet lang, 26 november 1945 was hij terug bij de 26e compagnie van de Centrale intendance en cantinedienst. Deze beide naoorlogse legeronderdelen kwamen voort uit het vooroorlogse Korps Motordienst, waarbij Romke toen als dienstplichtige was ingedeeld. Het was dus voor hem weer naar bekend terrein.

Inmiddels kwam er een langzame verandering in de ouderlijke woning. Vader Sytze trok eind 1945 in bij dochter Lutske in Visvliet. Klaske was reeds vertrokken. En toen Marten in december 1945 op de fiets naar Leiden vertrok, kwam de ouderlijke woning vrij. Op 28 januari 1946 kwamen Romke en Maria met de kleine Sytze weer naar Buitenpost, Kerkstraat 4. Hier werd op 14 augustus 1946 hun 2e zoon Petrus geboren. Dit was kennelijk voor Romke het moment om nu groot verlof aan te vragen. Dit werd hem verleend met ingang van 1 september 1946. Het werd nu voor het gezin een periode van aangename rust in hun eigen nestje te midden van hun vrienden. Op 23 mei 1948 werd zoon Marten geboren. Dit was ook de periode waarin de emigratiekoorts woedde. Honderden gezinnen emigreerden met name naar Amerika en Canada. Ook uit Buitenpost vertrokken gezinnen om elders hun geluk te beproeven. De tijd van de wederopbouw was niet gemakkelijk. Overzee lag wellicht een betere toekomst weggelegd, met name voor de kinderen. Romke en Maria begonnen er eveneens over na te denken. Het was gedaan met de rust.

Naar Canada

Uiteindelijk werden de plannen concreter en resulteerden in een vertrek naar Canada. Melle Elinga uit Vega, N.W.Alberta, stond borg voor het gezin. In mei 1949 vertrokken ze met m.s. Tabinta. Het schip was geheel ingericht voor het vervoer van Nederlandse militairen en emigranten. De passagiers sliepen in boven elkaar gelegen scheepskooien. Velen hadden last van zeeziekte. De boot kwam aan in Quebec, waarna een lange treinreis volgde naar Vega. Het gezin vestigde zich in het nabij gelegen Barrhead. Romke kreeg werk als automonteur. Een half jaar later verhuisden ze naar het nabij gelegen gehucht Neerlandia, waar hij bedrijfsleider werd in een garage. In Barrhead werden Hedley Ralph (11-11-1950) en Marilyn (30-08-1954) geboren.

romke en maria met kinderen in canada in 1954

Het gezin van Romke en Maria in 1954, met achter de kinderen Sydney (Sijtze) en Peter en voor Martin, Hedley en Marilyn.

In Neerlandia volgde een rustige tijd. Maar in augustus 1959 verhuisde het gezin naar Newcastle, Ontario, waar opnieuw een rustige periode aanbrak tot 1971. Een jaar daarvoor was hun oudste zoon Sidney (Sijtze) met zijn vrouw naar Nieuw-Zeeland geëmigreerd. In 1971 volgden Romke en Maria met dochter Marilyn. Ze bleven slechts 6 weken, toen Romke besloot om terug te gaan naar Canada. Hij zag het in Nieuw-Zeeland niet zitten. Twee dagen na hun terugkeer in Canada, kwam hij met een hartaanval in het ziekenhuis. Een jaar later kwamen ook Sidney en Sandy weer naar Canada. Na zijn herstel gingen Romke en Maria in Belleville, Ontario wonen. Daar vond hij werk in de houtindustrie, in de produktie van prefab woningen en garages. Maar ook hier werd het geen blijvertje. Ze verhuisden naar Oshawa, Ont., waar Romke bij eenzelfde industrie ging werken. Eind jaren zeventig verhuisden ze terug naar Neerlandia, N.W Alberta. Hier kwam Romke weer in zijn oude beroep terecht als bedrijfsleider in een garage. In september 1981 verlieten ze Neerlandia en woonden toen 3 jaren in Airdrie, Alb., bij hun zoon Marten. Zomer 1984 trokken ze opnieuw naar de oostkant van Canada. Ze vestigden zich nu in Oshawa, Ont., dichtbij hun kinderen Sidney, Pete en Marilyn met hun gezinnen. Op 22 februari 1985 overleed Romke in het ziekenhuis in Toronto op 67-jarige leeftijd. Hij was een man geweest die wist wat hij wilde, een binnenvetter en doorzetter. Hij werd begraven in de plaats Bowmanville.

In de lente van 1986 verhuisde Maria naar deze plaats om dichter bij Sidney en Sandy te zijn. Drie jaren later verhuisde zij naar een seniorenappartement in Withby, Ont. Hier was ze dicht bij veel Nederlandse vrienden en emigranten. Zij had daar gelukkige jaren en genoot van hun samenzijn. Zij stond er bekend als een lieve vrouw. Bowmanville, Oshawa en Whitby liggen dicht bij elkaar, zodat de kinderen hun ouders en later Maria gemakkelijk konden bezoeken. Op 31 oktober 2000 overleed Maria in het ziekenhuis te Oshawa. Ze was een sterke en wilskrachtige vrouw geweest. Beiden hebben het niet zo gemakkelijk gehad. Hun leven kenmerkte zich door veel verhuizingen. In de oorlog moesten ze meerdere keren van adres veranderen, omdat de bezetter hen zocht. In Canada veranderden ze eveneens diverse keren van woonplaats, met zelfs een ‘uitstapje’ naar Nieuw Zeeland. Hun begin in het noordwesten van Alberta was moeilijk. Tijdens één van hun bezoeken aan de families in Nederland vertelde Maria dat ze eens moesten weten hoeveel sneeuw ze moest smelten om de luiers van haar baby te kunnen wassen. "Als we alles vooruit geweten hadden, waren we niet gegaan". Beiden hadden het karakter om door de zetten en kwamen de moeilijkheden te boven. Uiteindelijk bouwden ze zich een goed bestaan op. Romke en Maria: twee exponenten van een ‘oorlogsgeneratie’. Twee exponenten van een na-oorlogse stroom van landverhuizers naar ‘Het wrede paradijs’ (titel van een bekend boek van Hylke Speerstra). Wat een vondst uit de Tweede Wereldoorlog in Buitenpost 70 jaren na dato openbaarde.