kaart verspreidingsgebied van de Zoete haarbraam

Het woord ‘bramen’ kan zowel gebruikt worden voor de struikachtige planten als voor de vruchten (plaatje rechts). Als florist denk ik in eerste instantie natuurlijk aan de planten. En daar begin ik dan ook mee. Dat wordt even doorbijten.


kaart verspreidingsgebied van de Zoete haarbraam

Bramen behoren wetenschappelijk tot de rozenfamilie en daarbinnen tot het geslacht Rubus. Bramen zitten tussen kruidige en houtige gewassen in: de loten beginnen kruidachtig, verhouten in de eerste winter, dragen in het tweede jaar bloemen en vruchten, en sterven dan af; de ‘stoof’ blijft leven en vormt jaarlijks nieuwe loten. Al voor de leek valt een behoorlijke verscheidenheid op. Je hebt bramen met de zwarte vruchten die iedereen kent, maar er zijn er ook met vruchten die in rijpe staat rozerood zijn (framboos), of blauw (dauwbraam), of rood (steenbraam en wijnbes) of zelfs geel, die vinden we dan wel in het noorden van Scandinavië (kruipbraam, molte N, hjortron S). Tot zover is Rubus een gewoon soorten- en vormenrijk geslacht, maar net als paardenbloemen (Taraxacum), havikskruiden (Hieracium) en vrouwenmantels (Alchemilla) zijn veel Rubussoorten ‘apomictisch’, dat betekent - mannen, schrik niet! - dat ze via kiemkrachtige zaden nakomelingen kunnen maken zonder mannelijke inbreng van stuifmeel. Zulke exemplaren zijn dus klonen: ze zijn genetisch identiek aan de moederplant. Die kunnen zich ook weer apomictisch voortplanten. Vaak blijven ze beperkt tot een relatief klein gebied. Zo ontstaan wat we noemen ‘micro-soorten’. Maar om het ingewikkeld te maken vormen de dames zo nu en dan toch weer zaden met mannelijke inbreng en kunnen die microsoorten onderling kruisen, met nog weer nieuwe microsoorten tot gevolg. In Nederland zijn ten minste 240 microsoorten bekend, wereldwijd meer dan zeshonderd. Het zullen er ongetwijfeld nog veel meer zijn, want het onderkennen van die microsoorten is super-specialistisch werk. Die wetenschap heet ‘batologie’, afgeleid van het Oudgriekse woord voor braam báton. Er zijn gewoon te weinig experts om overal te kijken. Overigens stellen de batologen wel een minimumeis aan de grootte van een verspreidingsgebied vóór ze van een (micro-)soort willen spreken: zo’n areaal moet minstens een doorsnee van om en nabij 50 kilometer hebben.

foto van bramenexcursie in de Rohelstermieden

Floristische bramenexcursie in de Rohelstermieden, centraal in de foto ‘batoloog’ Karst Meijer uit Wolvega. (@foto: Jakob Hanenburg)

foto braam rubus frieslandicusDé Friese batoloog is Karst Meijer uit Wolvega, die zich trouwens ook intensief met paardenbloemen bezighoudt. Hij ontdekte een bramenmicrosoort met een verspreidingsgebied tussen pakweg Drachten, Dokkum en Leeuwarden. In floristisch jargon heet dat: de soort is ‘endemisch’ voor de Noardlike Fryske Wâlden, alleen dáár komt hij (van nature) voor. Meijer heeft de soort beschreven als Rubus frieslandicus, een Nederlandse naam heeft de braam nog niet. Tijdens een excursie onder leiding van Meijer, in de Rohelstermieden op 8 augustus jl., werd de soort in de omgeving van de Tjoele aangetroffen, evenals nog vijf andere bramensoorten. Komende herfst legt Meijer een verzameling regionale bramensoorten aan in de Kruidhof. Daar gaat u absoluut nog meer over lezen in de Binnenste Buitenpost.

Van wetenschap naar keuken

Bramen met zwarte vruchten hebben voor het gemak de overkoepelende naam Rubus fruticosus, gewone braam, gekregen. Een braam is een verzamelvrucht van bessen, ‘steenvruchten’, die elk één zaadje met een harde huid hebben, het pitje. De bessen zelf zijn sappig en min of meer zoet, afhankelijk van de microsoort. Vogels maar ook allerlei ander gedierte, waaronder mensen, eten de bessen graag. Het vruchtvlees verteren ze, de pitjes komen min of meer onverteerd met de poep mee. Zo raken die pitjes verspreid. Zoals gezegd verschilt de zoeten sappigheid van bramen per microsoort. De grootste en zoetste bramen groeien aan struiken van de Rubus gratus (ja, ook gratis!), oftewel de Zoete haarbraam. Dat ‘haar-’ slaat op de beharing van de eerstejaarsloten. Deze microsoort heeft een sterke voorkeur voor bosranden, houtwallen en -singels. Hij komt dus algemeen voor in de Noardlike Fryske Walden, we hadden hem ook bij de Tjoele. Als kind groeide ik op in de Gelderse Achterhoek in een groot gezin waar de eindjes aan elkaar geknoopt moesten worden. In de nazomer bramen, bosbessen en rozenbottels plukken hoorde er helemaal bij. Ik moet bekennen dat ik er als kind niet van hield. Die rottige stekelstruiken! Mijn moeder maakte dan bramensap en bramenjam. Vooral aan die jam had ik een hekel: ik vond al die pitjes een kwelling, en er kwam nooit een einde aan de keldervoorraad...

Als volwassene ben ik een stuk pitjesbestendiger geworden, maar ik eet niet zo graag jam meer. Ik ben meer van de chutney. Deze vruchten-groentecompote lijkt een beetje op jam maar ze is grover van structuur, en kruidiger of desgewenst pittiger. Het is een Indiaas concept, in de koloniale tijd in de Engelse keuken geliefd geworden. De benaming is afgeleid van het Hindi-woord chatni, ‘likken’. Er worden ook groenten in verwerkt als ui en/of paprika en eventueel rode of groene peper. Het is een heerlijk (koud te serveren) bijgerecht bij diverse soorten vlees of bij stevige vegetarische gerechten. Een chutney moet minimaal twee maanden rijpen. Echt iets voor bij het kerstdiner. Hieronder staat een recept, waarop u overigens naar hartenlust kunt variëren. Wilt u een uitgebreide toelichting op het recept, met de variatiemogelijkheden, stuur me dan een mail.