‘Onze gevederde vrienden’ was een eeuw geleden een populaire aanduiding voor vogels. Die wordt inmiddels oubollig gevonden, maar voor mij blijft het een sprankelende uitdrukking! Mijn vrouw zaliger en ik hebben ons jarenlang ingespannen die vrienden in onze tuin maximaal te gerieven. Dat slaagt het best met voeren in de winterperiode. Dan verblijven er al jaren dagelijks zo’n tweehonderd vogels kortere of langere tijd in onze tuin om te foerageren en te slapen. Het is hier ’s winters een volière zonder gaas. Is het niet onnatuurlijk om vogels te voeren? Zeker, maar daarmee is het niet persé fout, al loert er wel een gevaar, waarover straks meer. Vogels in de tuin zijn een bron van genoegen. Ik vertel hier hoe dat bij ons zo’n beetje toegaat. Die aanpak is voor de meesten te extreem, nog buiten beschouwing gelaten dat je er een tuin met bomen en heggen voor nodig hebt. Maar voor wie op gewone schaal vogels wil voeren, biedt dit stuk tips genoeg

kaartje van de route van de grutto over de stille oceaanDe grote bonte specht doet het opmerkelijk goed. Vogels die hier het hele jaar door verblijven, heten standvogels. Het ultieme voorbeeld daarvan is de huismus. De meeste mussen komen in hun leven hooguit een kilometer van hun geboorteplek. Tegenover de standvogels staan de trekvogels. Een ultiem voorbeeld dáárvan is de rosse grutto die in september van dit jaar in één ruk van twaalf dagen over de Stille Oceaan van Alaska naar Nieuw-Zeeland vloog, 12.854 kilometer! (kaartje rechts, @Annemieke Altena) Tussen deze uitersten zitten talloze grijstinten. Onze eigen merels en vinkachtigen trekken als nomaden door de regio, steeds gebruik makend van wat ze her en der aantreffen. Tegelijkertijd komen allerlei groepen vogels uit Noord- en Oost-Europa hiernaartoe om de hele winter te blijven hangen waar ze iets van hun gading vinden. De laatste weken waren ‘onze’ merels weg, maar op 12 oktober doken er ineens zes gasten op, allemaal mannetjes.

foto vetbollenhouders

Iedereen, ook wie alleen een balkon of een kleine (betegelde) tuin heeft, kan echte standvogels als huismus en pimpelmees lokken met wat strooivoer, al of niet in een vogelhuisje. Er zijn allerlei zaadmengsels. Je kunt ook niet-gekookte rijst strooien, daar zijn mussen gek op. Als je op een vaste tijd strooit, weten ze dat al heel gauw. Natuurlijk is er ook de vetbol. Maar let dan wel op: veel goedkope bollen bevatten te hard vet waar vogels niks mee kunnen. Die bolletjes blijven ongebruikt en leveren hooguit een aardig beeld op als de zaden erin in zachtere periodes uitlopen. Koop dus bollen met zacht vet, en combineer zaadbollen met insectenbollen. Het is wel wat duurder, maar dan hebben die vogels ook wat. En gebruik bollenhouders, er zijn verschillende systemen, dan heb jij (en het milieu) geen last van die foeilelijke plastic netjes. Bovendien kunnen er dan meer vogels tegelijk foerageren. Het klassieke pindalijntje voldoet natuurlijk ook.

Wie een wat ruimere tuin heeft, kan vogels geheel gratis gerieven door in borders of tussen struiken flink veel blad aan te brengen. Levert je tuin geen blad, ‘jat’ het dan gewoon uit de openbare ruimte. Vogels als merel, heggenmus (die helemaal geen mus is) en ekster willen daar graag in ompikken om pissebedden, wormpjes en zo te verschalken. Je zult wel regelmatig moeten vegen. Je kunt de pret voor de vogels (en jezelf) verhogen door er dagelijks een paar handjes gedroogde meelwormen door te strooien. Ook gratis: uitgebloeide planten die zaad ontwikkeld hebben niet afknippen maar voorlopig laten staan.

Wil je véél vogels, zorg dan dat er veel vogels tegelijk kunnen foerageren. Hang meerdere silo’s op waaronder de vogels ook op de grond kunnen eten. En gebruik zowel diverse zaden als gepelde pinda’s. Leg bij koud weer een doorgesneden appel neer. Bied pindakaas niet aan in een potje maar smeer het aan een stam of aan stevige takken. Dan kunnen er meer vogels tegelijk bezig, vooral spreeuwen hebben daar aardigheid in. Zorg ook voor dagelijks schoon water in een vlakke schaal.

foto van een silo-opstellingStart in november met voederen, dan trekken er groepjes ringmussen en vinkachtigen rond. Vinden die jouw tuin aantrekkelijk en ben je een trouwe voerder dan blijven ze vaak maanden hangen. Wij hebben elke winter zulke groepen met 20 tot 50 individuen: huismussen, ringmussen, groenlingen en vinken. Bij die laatste zitten soms een of twee kepen. De winter van 2018-2019 hadden we zelfs een groep van zo’n vijftig kepen, die wel vijf maanden zijn gebleven! Bij dit soort aantallen fladderen er elk moment van de dag wel vogels in de tuin, al wisselt de drukte in golven. Maar veel vogels laadt meteen een verantwoordelijkheid op je! Vogels morsen veel zaad en ze poepen wat af. Die combinatie maakt, vooral bij regenachtig weer, dat op zulke verzamelplekken veel ziekten overgedragen kunnen worden. Afgelopen winter was dat vooral ‘het geel' (zie Wikipedia). Je zult dus regelmatig, bij regen elke dag(!), de voedervloer moeten opschonen. Zelf kan ik het dan nog schone afval kwijt tegenover mijn huis, waar aan de vijverrand onder meer eenden, waterhoentjes en meerkoeten er raad mee weten. Anders moet het, helaas, de groene container in. Vind je dat te veel inspanning en kosten, begin dan niet aan grootschalig voederen.