kaart wandeling Reahelster Mieden

Overzichtskaartje met de wandelroute ingetekend.

In het jubileumboek 'Buitenpost, een goede gelegenheid' worden in het hoofdstuk over landschap en natuur vier routes beschreven die door karakteristieke delen van ons buitengebied leiden. Voor degenen die het boek niet hebben, bieden we hier een van die routes aan.

Op de routekaart loopt onder Buitenpost door een blauwe slingerstructuur: de loop van het vroegere veenriviertje de ¬lde Ried. Toen de zeespiegel geleidelijk rees, werd het een soort getijdeslenk die tot Kootstertille inbrak. Door inpoldering en drooglegging klonk de omgeving in en wat ooit de laagste structuur was, werd juist de hoogste structuur in het landschap: de Dijkhuisterweg en de Oude Dijk. Na de inpoldering van de Lauwerszee in 1969 is de waterhuishouding in Frysl‚n zo strak geregeld dat we zelden of nooit ‘natte voeten’ meer hebben. Daardoor weten we weinig meer van hoogten en laagten in ons landschap. Vroeger liepen de laagten in het landschap ’s winters vaak onder. Rond de Oude Dijk is dat voor het laatst gebeurd in de winter van 1965-1966.

In 2018 is er een fiets- en wandelpad vanaf de Oude Dijk naar de stuw in de BŻtenpostmer Feart en door naar het westelijke deel van het Tjoelepaad aangelegd. Dat gaan we eerst volgen. Deze tocht loopt niet rond en is deels ook niet te fietsen. Dus straks moet u het stuk terug lopen. Dan ziet de zelfde route er evenwel weer heel anders uit.

de stuw in de bŻtenpostmer feart

Eind jaren zeventig is het waterpeil in de BŻtenpostmer Feart met behulp van een gemaal op Rohel sterk verlaagd ten gerieve van agrarisch gebruik. Om het waterpeil in de destijds aangelegde vijverslinger door Buitenpost te kunnen handhaven was de stuw hier nodig. Met deze barricades werd niet alleen een meer dan (toen) tweeeneenhalve eeuw oude vaarweg naar Buitenpost afgesloten, ook raakten de Reahelstermieden enorm verdroogd, wat een enorme klap was voor de natuurterreinen die Staatsbosbeheer daar juist had verworven. In arrenmoede heeft Staatsbosbeheer in de jaren tachtig en negentig een groot experiment opgezet. GeÔnspireerd door de vroegere petgaten waaruit veen gewonnen werd, zijn tientallen grotere en kleinere ‘putjes’ gegraven. Sommige waren alleen regenwaterafhankelijk, andere werden gevoed door kwelwater. Die putjes zouden dan ‘verlanden’ en zo konden zich weer waardevolle waterafhankelijke vegetaties mťt hun insecten-, amfibieŽn- en vogelfauna ontwikkelen. De BŻtenpostmer Feart overgestoken zien we rechts een paar grotere verlande putjes die zich fraai ontwikkeld hebben. Gelukkig is het gebied, dat deel uitmaakt van het Nationale Natuurnetwerk (de vroegere EHS), onlangs zo ingericht en vernat dat de natuur ook buiten die kunstmatige laagten weer betere kansen heeft. Kijk ook even een stuk verderop langs de vaart, dan valt een groepje fruitbomen op. Daar stond vroeger een woninkje, zoals er tot de jaren zestig meer in het gebied aanwezig waren.

de fruitgaard in de Reahelster Mieden

De fruitgaard in de Reahelster Mieden.

de groteboterbloem

We volgen het Tjoelepaad naar het oosten en steken de Rohelsterweg over. In hoofdstuk 2 van het jubileumboek wordt verteld hoe deze omgeving vanuit pionierskernen werd ontgonnen in lange, opstrekkende kavels. Dat is hier buitengewoon goed zichtbaar. Per vierkante kilometer loopt hier vaak meer dan twintig strekkende kilometer sloot! Al dat ondiepe water en de dubbele lengte aan oevers bergen belangrijke natuurwaarden. Een opvallende soort van de kwelsloten is de grote boterbloem (foto rechts), die in de Reahelstermieden buitengewoon talrijk is. Ze staan in het water tegen de oevers. In het water groeien ook verschillende, soms zeldzame fonteinkruiden. Op de taluds treffen we regelmatig poelruit met z’n geelachtig witte bloempluimen.

de watersnip

Achter het eerste huis aan de oostelijke Tjoele bevindt zich het diepste punt van dit gebied, pakweg ťťn meter onder NAP. Hier heeft zich ondanks het verlaagde waterpeil, door intensieve zorg van Staatsbosbeheer een prachtige blauwgrasachtige begroeiing kunnen handhaven met onder andere een grote en diverse orchideeŽnpopulatie. Wie daar in juli kijkt, vraagt zich misschien af wat dat ‘prachtige’ inhoudt, want dan is de begroeiing ruig uitgegroeid. Het lieflijke beeld doet zich voor in mei en begin juni, maar dan is het gebied niet toegankelijk om verstoring van broedvogels te voorkomen. Hier en in het aangrenzende singellandschap broedt namelijk de watersnip, in het Fries 'waarlamke'. (foto rechts) Een substantieel deel van de Nederlandse populatie van deze rodelijstsoort broedt hier in het Miedengebied. De vogel valt op door het blatende geluid dat hij met de staartpennen maakt in de baltsvlucht. De zomerse ruigte wordt met handmaaimachines gemaaid en te voet afgevoerd. Zo wordt de bodem niet verstoord, en kan behalve de orchideeŽn en zeldzame zeggen ook het fraaie boompjesmos zich handhaven. Staatsbosbeheer zette daarvoor jaarlijks in augustus natuurgeÔnteresseerde jongeren uit het hele land in. Zij werden dan door ‘mem Wedman’ van soep voorzien. Naar haar is het wandelpad door het gebied genoemd. Tegenwoordig wordt dit werk door internationale studenten uitgevoerd.

Het Tjoelepaad eindigt even verderop, maar men kan – mits behoedzaam, er moet wel eens over een hek geklommen worden – buiten de broedtijd verder scharrelen in zuidelijke richting. Het veld loopt dan heel geleidelijk op naar de hogere gronden rondom Augustinusga. In 1989 wilde de gemeente hier een fietspad aanleggen, over het ‘verdwenen’ oude tracť van het Tjoelepaad naar Blauwverlaat, maar dat werd door natuurbeschermers verijdeld. Zo’n element zou de intimiteit van het gebied verwoesten en, erger nog, ook de verjaging van de watersnip veroorzaakt hebben! Nu kunnen we te voet nog de betoverende werking van het kleinschalige landschap ervaren. Heb je geluk dan zie je een boomvalk. Of landkaartjes, een vlindersoort. Bijzonder aan deze vlinder is dat er twee vormen zijn. De eerste generatie in het voorjaar is vrij klein en oranjerood met zwarte vlekken, de wat grotere zomergeneratie is zwart met een witte band en rood-oranje streepjes op de bovenvleugel.

Eeuwenoude singels herbergen hier nog diverse lokaal-inheemse rozensoorten en de zeldzame tweestijlige meidoorn. Staatsbosbeheer heeft hier een grote onderhoudsslag gemaakt en in 2020 zal er gestart worden met het reconstrueren van verdwenen singels rond het Oude Kerkhof. Daarbij wordt zorgvuldig opgekweekt lokaal-inheems plantmateriaal gebruikt. Het woord ‘uniek’ wordt vaak te pas en (vooral) te onpas gebruikt, maar als we vlak bij de zandkop De Tjoele om een laatste singelhoek heen lopen, doemt een uniek uitzicht op Augustinusga op.

zicht op Augustinusga vanuit de Reahelster Mieden

Zicht op Augustinusga vanuit de Reahelster Mieden.

de laatste populier op de Tjoele

Zo fraai zie je de overgang van de nulmeterzone naar de hogere gronden zelden. Op De Tjoele zelf, een soort oude duintop, stond in vroeger eeuwen een stenen boerenbewoning die destijds uitkeek over de kwelders. Dit is de oergrond van dragers van de familienaam Tjoelker. De kleinschaligheid van het landschap is hier ongekend. Voorheen stonden hier een stuk of vier reusachtige populieren, maar daar is er nog maar ťťn van over (foto rechts). Oostelijk van De Tjoele is er weer een herkenbaar pad, dat even verderop uitkomt op een oud voetpad dat vroeger – heel zeldzaam – met stenen verhard zou zijn geweest. Het brengt ons bij ons eind- dan wel keerpunt: de buurtschap Blauwverlaat.